Home Geschiedenis "Indisch" Lezing INOG
"Indisch" Lezing INOG PDF Print E-mail
 

"INDISCH" LEZING INOG
Dane Beerling, 2003/2005

Let op!
Lezing. Deze werd door Dane Beerling in 2003 gehouden bij de werkgroep INOG (Indische Na Oorlogse Generatie) van de Vereniging KJBB '41-'49. Enkele aanvullingen, toevoegingen zijn van later (in 2005).

GUNUNG* INDIË

Het vroegere Indië was te vergelijken met een horizontaal gelaagde berg. Ruwweg gesproken zag gunung Indië er als volgt uit: De basis werd gevormd door de Inlanders, zoals de inheemsen toen werden genoemd. Uitzondering werd gemaakt voor de gekerstende inheemsen van Ambonese en Menadonese afkomst. Deze twee groepen vormden de laag boven de Inlanders. Dan kreeg je de vreemde oosterlingen zoals Arabieren, Chinezen en Philippino’s. De Indo-europeanen, ofschoon rond 1900 wettelijk tot de Europeanen behorend, lagen tussen hen en de volbloed-europeanen in, die de top van de berg bezetten.

* Klik op woordenlijst voor verklaring.

Er liepen hier en daar wat verticale lijnen en gingen leden van de verschillende lagen met elkaar om, maar zelden als gelijken. Als nu bijvoorbeeld gezegd wordt: mijn Hollandse ouders gingen wél om met de inheemsen**, bestrijd ik dat niet. Maar die ouders waren een uitzondering. Bovendien, ze gingen niet als gelijken met de inheemsen om, ook al was dat misschien wel hun wens. Het waren vooral de zendelingen die de autochtone bevolkingen het dichtste naderden, maar ook zij deden dat niet op voet van gelijkheid: het was de omgang van de leraar met zijn leerlingen. Een blanke leraar bovendien.

---------

**Inheemsen omdat de term Indonesiërs historisch onjuist is. Van Indonesiërs kan men officieel spreken pas nadat de Republiek Indonesië was gevestigd. Tot dan was Indonesië een geografisch begrip in 1884 door de Duitser A. Bastiaan aan de archipel gegeven.

Vóór de V.O.C.-tijd (vanaf 1602) was er een bevolkingsgroep van gemengd Portugees-Spaanse en inheemse afkomst, de Mestiezen, een term die ontleend was aan de naam voor gemengdbloedigen van Portugees-Spaanse en Indiaanse afkomst van voornamelijk het Zuidelijke deel van Amerika. De gemengdbloedigen uit de V.O.C.-tijd werden aanvankelijk ook Mestiezen genoemd, en Mixtiezen, Kastiezen, Inlandse Kinderen en soms Liplaps.

De bazen van de V.O.C. hadden het in Indië voor het zeggen en verboden hun dienaren de omgang met de heidense inheemsen. Maar het vlees was zwak, daarenboven waren er nauwelijks tot geen Europese vrouwen. Die hadden geen lol om naar het verre Indië te gaan. Een handjevol hooguit deed dat wel, maar dat leek ‘van de straat geraapt’, zo werd in die tijd letterlijk opgetekend. Vaak was dat ook zo.

Uit de omgang met de inheemsen kwamen nakomelingen. De inheemsen, uiteraard waren ook onder hen die het oudste beroep van de wereld uitoefenden, hadden daarom en vaak ook als gevolg van de intieme relatie met de blanken, geen plek meer in hun desa’s. In de Hollandse forten mochten ze (indien niet gekerstend) ook niet wonen en dus bleven ze met hun kinderen in de periferie van de V.O.C.-vestigingen in eenvoudige huisjes, de latere kampongs waar ook warongs kwamen.

(Veel later, ver ná de V.O.C.-tijd, trokken er wel ‘blijvers’ bij hun inheemse vrouwen in en pasten zich aan hun leefwijze aan: ze, veel waren dat er niet, verinlandsten [maar het werd ‘not done’ nadat steeds meer Europese vrouwen naar Indië kwamen]. De meeste Europeanen echter, waaronder de ‘trekkers’, zij die zich op hun Europese herkomst bleven richten, verinlandsten en verindischten niet).

De mannen van de V.O.C., ze hadden, niet ongebruikelijk ginds, soms meer dan één inheemse vrouw, waarvan er ook gekerstend werden, bleven bij ze komen of deden die aan hun maatjes over als ze weer huiswaarts voeren.

De kinderen leerden van hun vaders c.q. stiefvaders een beetje Nederlands. Uit die tijd stammen de eerste sporen van het Indisch Nederlands, het Petjok. Op Petjok kom ik later nog terug, ik vertel wel alvast dat het leren van het Nederlands moeilijk was voor deze kinderen. Ze werden tweetalig opgevoed. Maar daar ze de meeste tijd bij hun Inlandse moeders in de kampong verbleven die een Maleise samenleving was en niet een Indonesische, want die bestond nog lang niet, lag het accent sterker op het Maleis. Daarom is Petjok de overzetting van het Nederlands op de constructie van het Maleis en de andere taaleigenheden van het Maleis.

Bijvoorbeeld, in het Nederlands: Kees vraagt: Als het kan, kom morgen dan weer., in het Maleis: Kees tanya: kalau bisa, besok datang lagi, iya?, en in het Petjok: Kees hij fraah: Als ken, morhen je kom weer, iya?

De Inheemse moeders kregen steeds meer een bijrol om tenslotte praktisch volledig uit de geschiedenis te verdwijnen. Hun gemengdbloedige kinderen trouwden onderling en uit die gemêleerde Portugees/Spaans/inheemse daarna Hollands/Europees/inheemse samenlevingen, ontstond een cultuur die aanvankelijk meer aansloot bij de inheemse, maar later geheel eigen werd. Omdat ze Nederlands spraken, Indisch-Nederlands weliswaar, kregen de gemengdbloedigen, de Indo’s, vaker ambtelijke en andere jobs. ‘Die functies gaven de groep van Indo-europeanen zijn eigenlijke karakter, los van de biologische bepaaldheid.’, zei Prof. Dr. W.F. Wertheim in 1947.

De Mestiezen, Kastiezen enzovoorts werden gaandeweg Indo-europeanen, kortweg Indo’s. Ze waren niet gelijkwaardig aan de volbloed-Europeanen. Ook toen ze rond 1900 wettelijk tot de Nederlanders gingen behoren, bleef de ongelijkwaardigheid bestaan. Rob Nieuwenhuys zei van de Indo’s: ‘Ze vormden een zwevende bevolkingsgroep in Indië.’ Europeanen waren ze niet en ook geen Inlanders, dat vonden ook de Inheemsen. Indo’s mochten, ofschoon kinderen van het land, geen grond bezitten. Inheemsen hadden dat wel, ze hadden rijstvelden en huisjes die ze hun eigendom konden noemen. Indo’s hadden dat alles niet. Kiezen voor een plek onder de inheemsen, tegen de zin van de inheemsen in, betekende dat ze afhankelijk werden van ze en een armoedig bestaan zouden leiden. Er was daarom geen andere mogelijkheid dan zich te gaan richten op hen die de macht hadden in Indië: de Hollanders. De Indo’s deden hun best om zo Hollands mogelijk te zijn in spreken en gedrag (bij een klein percentage lukte dat redelijk, maar bij de meerderheid vaker niet tot nauwelijks).

‘Een kleine bevoorechte groep van Indo’s kwam naar boven drijven, de toestand der lagere klassen bleef de gehele negentiende eeuw door (maar ook later) nog slecht. Misère en achteruitzetting hebben hun stempel gedrukt op de habitus van de Indo, die men zo vaak indolentie, geestelijke luiheid en gebrek aan zelfvertrouwen heeft verweten zonder naar de oorzaken te vragen.’, aldus Rob Nieuwenhuys. Zelfs in 1940 werd hoge ambtenaren nog afgeraden met een Indische te trouwen, ook al waren de Indischen (Indo's dus) inmiddels zo’n veertig jaar Nederlander bij wet, gedroegen ze zich Hollands en spraken ze redelijk tot perfect Nederlands.

Ofschoon de Indo’s niet gelijkwaardig waren aan de Europeanen, waren onder hen, hoewel maar weinig, die hoge posities konden bereiken. In de Atjeh-oorlog vocht, onder bevel van luitenant-generaal Van Heutz, de beruchte ijzervreter de Indo Van der Heyden, eveneens luitenant-generaal. En even vóór de oorlog met Japan was de hoogste militaire baas in Indië ook een Indo, namelijk luitenant-generaal G.J. Berenschot. Hij verongelukte met een vliegtuig bij het vliegveld Kemajoran in Batavia, net voor de Japanners in Indië kwamen.

Ik teken u een scène die, laten we zeggen, plaatsvindt in december 1939: Onze luitenant-generaal Berenschot zit in zijn werkkamer achter zijn bureau. Er wordt op de deur geklopt. Hij roept ‘Binnen!’. Zijn staflid, de totok Pieterse, minder in rang want kolonel, komt binnen. ‘Ha Jan!’, zegt Berenschot en loopt op de ander toe. Even joviaal, want officieren onder mekaar immers, groet deze met ‘Dag Beer!’.

Ze geven elkaar een hand en Berenschot vraagt wat de ander komt doen.

Pieterse: ‘Je mag me feliciteren, want ik ben de gelukkigste man van heel Indië!’

Berenschot: ‘Ik doe het graag, maar vertel op waarmee ik je moet feliciteren.’

‘Ik ga trouwen met de mooiste vrouw van de wereld, een lieve Indische!’, zegt de kolonel blij.

Maar het gezicht van de Indo Berenschot betrekt. ‘Tja… Een Indische, zeg je?’

‘Wat doe je vreemd, Beer!’, roept de totok verschrikt.

‘Ik moet het je afraden, beste vriend. Eh…trouwen met een Indische kan je carrière schaden.’

‘Maar jij bent zélf een Indo!’

‘Eh… ja… maar zo zit dat nu eenmaal hier in Indië…’

Indo’s op hoge posten in de Nederlands-Indische samenleving.

Foto links: Luitenant-Generaal G. J. Berenschot, zoon van een KNIL officier en een Indonesische moeder, werd in 1939 de hoogste baas van het KNIL. Hij schatte dat de strijd van het KNIL tegen de Japanners niet langer dan vijf dagen zou duren. Erg ver naast zat hij daarmee niet, maar maakte dat zelf niet meer mee: hij verongelukte nog voor de komst der Japanners. Zijn legervliegtuig stortte neer op 13 oktober 1941 vlakbij het vliegveld Kemajoran op een kampong.

Foto midden: Luitenant-Gouverneur-Generaal H. J. van Mook, Landvoogd van Indië na 1945, bedenker van een federale Indonesisch-Nederlandse staat. Dwars tegen het Nederlands beleid in had Van Mook contact (meermalen) met Soekarno de eerste president nota bene van een de facto vrije Republiek Indonesië. Maar voor Nederland was Soekarno een ‘oorlogsmisdadiger’. Van Mooks contacten scho-ten de Nederlanders behoorlijk in het verkeerde keelgat, maar Van Mook was teveel kenner bovendien van de mentaliteit der inheemsen en van zijn geboorteland, om zich iets aan te trekken van Nederlands mening over Soekarno. Zijn in de ogen der Nederlanders ook in andere opzichten eigenzinnig optreden leidden tenslotte tot Van Mooks ontslag. Maar niet verhuld mag blijven dat zijn Indo zijn mede een reden was van het desavoueren van deze “vriend van Indonesië”. Ook het feit dat hij Luitenant-Gouverneur-Generaal bleef en nooit Gouverneur-Generaal werd, hij had er wel de capaciteiten voor, had eveneens met zijn Indo achtergrond te maken.
Er zijn mensen die het een ‘gemiste kans’ vinden dat Van Mook er niet in slaagde om van Indonesië een federale staat te maken samen met Nederland. Maar de Indonesiërs hebben evenveel recht op volledige onafhankelijkheid als bijvoorbeeld Nederland. Als Nederland onmiddellijk de door Soekarno uitgeroepen Republiek Indonesië had erkend, zouden er niet vele duizenden doden zijn te betreuren als gevolg van de Bersiap, als gevolg van Nederlands oorlog tegen die vrije republiek, een oorlog door Nederland verhullend Politionele Acties genoemd. Erkenning van de Republiek Indonesië zou de stroom van repatrianten naar Nederland en later van ‘spijtoptanten’ hebben voorkomen. De relatie met de Indonesiërs zou een goede zijn en niet een vol spanningen die steeds weer opnieuw tot uitbarsting kunnen komen. Indonesië en Nederland zouden echte vrienden zijn geweest. Een “gemiste kans” is derhalve het niet onmiddellijk erkennen van de Republiek Indonesië.

Foto rechts: Generaal Majoor R. Bakkers (op de foto nog met de rang van kolonel), Chef Generale Staf Algemeen Hoofdkwartier. Van de zwakte van het KNIL ten opzichte van Japan was ook hij zich zeer bewust, hij schreef daarover onder meer: ‘Het ophef maken van de sterkte en het afweervermogen van het leger had geen ander doel dan de preventieve – in casu afschrikwekkende – werking te versterken. Dat hierdoor ook het eigen volk werd misleid en zelfs zij die het beter konden weten, verwachtingen koesterden die niet in vervulling konden gaan, was een niet te vermijden kwaad.’

OORLOG MET JAPAN

8 december 1941, direct na het Japanse bombardement op Pearl Harbor, verklaarde de gouverneur-generaal van Indië A.W.M. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, namens Nederland, in opdracht van koningin Wilhelmina die in Engeland in ballingschap zat, de oorlog aan Japan. Die afspraak was al gemaakt vóór de Japanse aanval en gold voor het geval Japan vijandelijkheden tegen de Verenigde Staten zou ondernemen. Terwijl het bombardement aan de gang was aarzelde de gouverneur-generaal eerst en probeerde Londen te bereiken. Het lukte niet door thermische storingen. Hij verklaarde de oorlog toen maar op eigen gezag. Een dag later lukte het wel om contact te krijgen en sanctioneerde koningin Wilhelmina de oorlogsverklaring.

Op 27 februari 1942 ‘s avonds vond in de Java-Zee het treffen plaats tussen een Japanse en een geallieerde vlooteenheid. De geallieerde vloot, die onder bevel stond van schout-bij-nacht Karel Doorman, verloor de strijd en ging vrijwel in haar geheel ten onder. Toen hij de Japanners tegemoet voer beval Karel Doorman: “All ships follow me!” Als legende is bewaard gebleven dat hij riep: “Ik val aan, wie volgt mij!”

Niets hield de Japanners toen nog tegen en Nederlands-Indië capituleerde. Er was hier en daar kleinschalig verzet, waarvan een enkele bleef voortduren. Maar de bezetting door de Japanners van Nederlands-Indië vanaf 10 maart 1942, 9 maart in Holland, was wel een feit. Vanaf die dag bestond Indië niet meer en begon een volledig nieuwe geschiedenis. De dé-Europeanisering en dé-Indischering trad onmiddellijk in: er was geen sprake meer van Indië als maatschappij noch als cultureel fenomeen. Indië werd een herinnering, even ‘waar’ alsook ’onwaar’ als herinneringen nu eenmaal altijd zijn. Herinneringen van hen die uit het vooroorlogse Nederlands-Indië stammen.

De Japanse bezetter onttopte de gunung Indië vrijwel direct en volledig. Het gecapituleerde KNIL, de zich in Indië bevindende geallieerde strijders en de leden van de Nederlands-Indische regering werden gevangen gezet. Tenslotte werden ook praktisch alle totoks geïnterneerd, overheidsfunctionarissen en burgers: mannen, vrouwen en kinderen. In totaal ongeveer 120.000 totoks. En 60.000 Indo’s werden ook gevangen gezet. Het merendeel van de Indo’s (voornamelijk op Java), zo’n 200.000, waaronder mijn moeder en haar zeven kinderen, bleef buiten de Japanse kampen. Zij werden al spoedig onder curatele gesteld en stonden onder direct gezag van de Japanners via Inheemsen. (Lees ook “Over Indischen gesproken”, hoofdstuk II “200.000 Indo’s buiten de Japanse kampen”, klik op BOEKEN & CD's

In de ogen van de Japanners, en geheel passend in hun ideeën voor het Japanse Groot Oost-Aziatische Welvaartssfeer Ideaal, werden Indo’s als mede-Aziaten beschouwd. De grote meerderheid van de Indo’s zag dat anders, de Inheemsen trouwens ook.

Nederlandse scholen gingen al onmiddellijk dicht en Europees onderwijs hield op. Maar daar bleef het niet bij; in het algemeen buiten de kampen mochten Europeanen, voornamelijk Indo’s, geen Nederlands meer spreken. Zelfs is gepoogd om dat verbod ook bij hen in huis te laten gelden.

Onderschat u deze maatregel niet. Indo’s ontleenden hun identiteit tevens aan het Nederlands, met dat Japanse verbod werd gepoogd hun hun identiteit af te nemen, hun zijn ontkend. Niet meer en niet minder. Die Japanse maatregel is niet zonder consequenties gebleven: veel van de buitenkampse Indo’s liepen daardoor een grotere onderwijsachterstand op dan zij in de kampen: daar werd tenminste nog een beetje, en soms heel veel, Europees onderwijs gegeven en spraken Nederlanders Nederlands met elkaar. In sommige kampen waren goed gevulde bibliotheken. Rudy Kousbroek heeft daar zijn voordeel mee gedaan. Maar ook in een kamp waar Rob Nieuwenhuys en Tjalie Robinson zaten was een goedgevulde bibliotheek.

Buiten de kampen werd hier en daar op zeer kleine schaal, stiekem, in huis les gegeven. In ons gezin, moeder en zeven kinderen, gebeurde dat niet. Wij hadden het te druk met overleven. Mijn vader zat als KNIL-miltair gevangen en zijn salaris hield ook meteen op en er kwam geen geld meer binnen. M’n moeder maakte hapjes en gerechten die door vijf van de zeven kinderen werden uitgevent. De jongste verkoper was mijn vijfjarige broertje Jan.

Het Nederlands verleerden we, maar ons Maleis ontwikkelde zich juist. Het Hollands verdween uit onze leefomgeving en maakte plaats voor het Indoos en het Maleis. In de Japanse kampen wist men hiervan niets af. Ik heb een grote koffer vol goede herinneringen aan mijn totok vader, en maar een heel kleine met min of meer vervelen- de. Zonder hem al te veel te verwijten, vertel ik u het volgende. Meteen toen hij uit krijgsgevangenschap terug was, ging ik naar hem toe. Maar binnen vijf of tien minuten al, had ik m’n eerste fler van hem te pakken. Dicht tegen hem aangeleund vertelde ik honderduit over wat ons gedurende de bezetting allemaal was overkomen... Aduh cilaka, seh, want ik deed dat in het Maleis! Mijn vader maakte zich met een ruk van mij los en, begeleid door de snauw: ‘Spreek Hollands!’, kreeg ik de fler om m’n oren. Zo belangrijk was Nederlands.

BERSIAPPERIODE

Toen de Japanners capituleerden werd op 17 augustus 1945, zoals u weet, de Republiek Indonesië uitgeroepen. Het hoogste ambt kwam in handen van een Indonesiër; Ir. Soekarno. De militaire opperbevelhebber van de Republiek was generaal Nasutíon, eveneens een Indonesiër. De gunung Indië heette vanaf toen gunung Indonesia.

Daar speelden zich aanvankelijk vreselijke dingen af: de zeer gewelddadige Bersiaptijd is voor velen de meest traumatische geworden, maar vooral voor Chinezen en Indo’s. Niet zelden werden zij letterlijk aan stukken gehakt, gecingcangt, en vervolgens vaak in putten gegooid. Zij die in de kampen zaten, werden in de meeste gevallen, niet altijd, door hun Japanse bewakers beschermd tegen de heethoofdige Pemuda’s, de jongeren. Buiten de kampen was die bescherming er niet.

Ofschoon die hier en daar nog wel ‘ns de kop opstak, hield de Bersiapperiode op ongeveer eind 1945 toen de eerste contingenten Nederlandse soldaten uit Holland kwamen en samen met het KNIL de vooroorlogse orde wilden gaan herstellen. Daarna bleef gewelddadigheid, inclusief de twee Politionele Acties, praktisch elke dag voorkomen.

REPATRIËRING & NIEUW-GUINEA

De repatriëring naar Holland begon vrijwel meteen na de capitulatie van Japan. Het ging in golven en duurde tot in de zestiger jaren. Veel migranten van Indo afkomst kwamen in Nederland in “contractpensions” en verbleven daar soms jaren. De totoks vonden veelal een plek bij hun Hollandse familie, en werden niet in de “contractpensions” opgevangen.

Niet alle Indo’s repatrieerden. Totoks werd niets in de weg gelegd, maar Nederland wilde zo min mogelijk Indo’s in Holland hebben: Nederlanders nota bene, niet alleen bij wet, maar ook in houding en idee, maar wel met hun eigenheden. Holland was vol, ook toen al. In de tijd dat Indo-Europese Nederlanders naar Holland wilden gaan, naar hun, hun altijd als een lekkere worst voorgehouden, ‘vaderland’. Maar toen puntje-bij-paaltje kwam, die Nederlanders daadwerkelijk aanstalten maakten om te repatriëren, bleek dat ‘Patria’ altijd puur bedrog was geweest. Er werden stante pede ‘onderzoeken’ gedaan en de conclusies waren dat die Indo-Europese Nederlanders (Hollandse opvoeding en onderwijs, de meeste Europees in denken en doen) ‘eigenlijk Indonesiërs’ waren. Prof. Dr. w. f. Wertheim zag in 1947 de donkere Indo-bui boven Holland ook hangen. Hij betoogde toen in Amsterdam dat Indo’s feitelijk Indonesiërs waren, en dat ze maar in analyse moesten om van het denkbeeld dat ze Nederlanders waren af te komen. En in de vijftiger jaren werd een commissie in het leven geroepen: de Commissie-Werner. Ter plekke, in Indonesië, werd door haar het Indovraagstuk onderzocht. Zij produceerde binnen een tijd van slechts weken al een rapport. Maar de toenmalige premier van Nederland Dr. Willem Drees, zei dat dat ding terminologieën bevatte die hem aan nazi-Duitsland deden denken. Het rapport van de Commissie-Werner verdween in de la, met GEHEIM erop. Aan die Nederlandse onbeschofte campagnes hebben we het woord ‘spijtoptanten’ overgehouden. Die ‘eigenlijk Indonesiërs’ kwamen toch en vonden op eigen kracht, want géén steun, géén cent, hun weg in Holland. Tegelijkertijd werd toch nog van alles gedaan om zoveel mogelijk Indo’s te bewegen voor het Indonesische staatsburgerschap te kiezen. Er waren onder die 'eigenlijk Indonesiërs' die dat inderdaad deden: ze werden Warga Negara Indonesia (Indonesische staatsburgers). Maar ook daaronder waren er velen die spijt kregen, de 'spijtoptanten'). Ze wilden toch naar Holland. Eenvoudig ging dat niet. En zeker niet iedereen lukte het om alsnog het recht op hun Nederlander zijn terug te krijgen. Het werd hen zo moeilijk gemaakt dat ze het hoofd maar lieten hangen: sudah laat maar...

Tussen 1927 en 1936, ver vóór de oorlog dus, werd in Ned. Nieuw-Guinea gezocht naar terreinen die voor het vestigen van kolonies van Indo-boeren geschikt waren, toen, als gevolg van de wereldwijde crisis, die ook Indië niet ongemoeid liet, veel Indo’s werkloos werden. De term “thuisland voor Indo’s” voor Ned. Nieuw-Guinea stamt uit die tijd en werd opnieuw opgepoetst na de overdracht van het voormalige Nederlands-Indië aan de Indonesiërs, met uitzondering dan van Ned. Nieuw-Guinea, want Nederland zag dat ook nu als “thuisland voor Indo’s”.

Op 27 december 1949 vond in het paleis op de Dam in Amsterdam, de soevereiniteitsoverdracht plaats en legde Koningin Juliana in handen van de Indonesiërs, wat Multatuli noemde, “’t Prachtig rijk van Insulinde dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd…” Zoals gezegd, met uitzondering van Nieuw-Guinea.

Direct na de overdracht vroeg een Hollandse verslaggever aan Mohammad Hatta, vice-premier van Indonesië en een van de onderhandelaars, wat ie ervan vond dat Nieuw-Guinea niet op de agenda had gestaan. Hatta had in Holland gestudeerd, maar Nederlands sprak hij met een zwaar accent. Ik doe het zonder spot, als ik, uit mijn herinnering, zijn voorspellende antwoord aan de journalist citeer: ‘Niew-Huinea? Wah, wat in fat sit, fersier niet.’

Het werd opnieuw een heuse oorlog tussen Nederland en Indonesië: nu een oorlog om Ned. Nieuw-Guinea. Nederland verloor die oorlog, mede dankzij internationale politieke steun die Indonesië kreeg.

Nieuw-Guinea was inderdaad het ‘thuisland’ voor Indo’s, maar niet voor lang. Toen Indonesië won, trokken de Nieuw-Guinea migranten naar Holland en algauw ook een flink deel van de “Warga Negara’s” die al eerder in Indonesië spijt had gekregen van haar keus en daarom de benaming “spijtoptant” kreeg.

CULTUUR

Wat is een Indo?, vraagt een Indo zanger zich luidop af op kumpulans en pasar malams. Nogal merkwaardig voor iemand met zijn afkomst.

Indo is de afkorting van Indo-europeaan, maar werd tevens een scheldnaam. In 1930 is door Indo’s in Indië gepoogd om van die term een geuzennaam te maken. Dat lukte niet: de Indo’s zelf wilden dat niet. Indo bleef in hun ogen een scheldnaam.

Overigens is een Indo iemand van gemengde bloede waarvan de mannelijke afstamming een Europese is en de vrouwelijke een inheemse uit het voormalige NederlandsIndië. Is het andersom, dan is hij Indonesiër.

Tegenwoordig is Indo bij velen in, vet, cool. Zelfs totoks noemen zich Indo. De totok Wieteke van Dort noemt zich sinds kort “Witte Indo”. En een paar jaar terug had ze ineens een Javaanse oma. Maar dat heeft ze alleen verteld aan een journalist van Wereld Omroep Nederland met Indonesië als werkgebied. Die Javaanse oma was dus niet voor Hollands gebruik. Maar Wieteke’s gejok viel hier toch op. Ook bij de cabaretier Joup van ’t Hek. Tijdens zijn optreden op de VARA TV op 26 september 1998, vertelt hij dat hij een contactadvertentie heeft geplaatst. Een vrouw belt en zegt ongeveer twintig jaar te zijn en bovendien van Indonesische afkomst. Er wordt een afspraak gemaakt, maar ze belt steeds opnieuw en dingt al maar meer af op haar leeftijd. Joup, hij heeft over zijn leeftijd ook gejokt, is ruimhartig en vraagt haar om toch langs te komen. Als ze weer belt zegt ze dat ze ook niet van Indonesische afkomst is, maar hadden haar ouders Indonesische kennissen. Zegt Joup van ’t Hek tegen het publiek: ‘Als je niet oppast is ’t Wieteke van Dort.’

Al in 1931 reageerde de Indo Dr. J.Th. Koks venijnig op zulke lui. In zijn studie “De Indo” zegt hij: ‘Daar, in “kampoeng Den Haag”, eten menschen, die in Indië nooit rijst aten, dag in dag uit rijst, hebben zij, die hun leven lang opzettelijk zoo weinig mogelijk Bataviaansch gesproken hebben, er behoefte aan, om hun Nederlandsch te pas en te onpas te doorspekken met Maleische en Javaansche woorden. Wat z’n heele leven Indo-hater geweest is in daden, werpt zich hier plotseling op tot zijn pleitbezorger. Hoe zou het ook anders kunnen; zij zijn bijkans zelfs Inlander” geworden, niet daar, maar hier, in Nederland.’

Wat zijn totoks?, wordt ook wel gevraagd.

Hollanders werden totoks genoemd in Indië, andere Europeanen merkwaardig genoeg niet. Totok is Maleis voor zuiver van ras. De Hollanders in het algemeen probeerden inderdaad hun Hollands zijn zuiver te houden. Zelfs een beetje verindischen werd tegengegaan. Vandaar dat “totok” een gebruikelijke term werd, ook voor de Hollanders zelf. Eerder nooit, maar nu zijn ze de naam totok vervelend gaan vinden. Maar zij, en niet de minste onder hen want Hella Haasse en Rudy Kousbroek bijvoorbeeld, willen zich toch onderscheiden van de totoks in Holland en gebruiken de term Indisch.

Indo’s, totoks en totoks die in Indië geboren zijn, de totok creolen, maar ook anderen uit het voormalige Nederlands-Indië, worden door de ‘moderne antropologie’, en waarvoor de raciale afbakening niet (meer) geldt, Indische Nederlanders genoemd. Chinezen, Indo’s, Indonesiërs, Molukkers, totoks en hun nazaten, behoren nu tot de “Indische gemeenschap”. Dankzij de totoks en de “moderne antropologie” is verwarring over Indisch gaan ontstaan.

In Indië, voor en na de oorlog, werd alleen een Indo-europeaan Indisch genoemd. De naam “Indische Nederlander” ontstond na 1945 en was voor Indo’s die vanaf dan het Nederlanderschap kregen of herkregen. In het laatste geval moet men bijvoorbeeld denken aan Indo’s van Duitse komaf. Hun Nederlanderschap was hen afgenomen na de Duitse inval in Nederland. Hoewel trouw aan koningin Wilhelmina, behoorden ze vanaf toen tot de vijand. Die Indo’s waren daarom niet blij met de benaming Indische Nederlander, er zat immers een verdacht luchtje aan? In Holland wist men daar niets van en was “Indische Nederlander” geen probleem meer.

Terug naar de vraag: Wat is een totok?

In mijn lezing uit 1994 “Indisch zijn of niet Indisch zijn, dat is de vraag”, stelde ik voor om totok creool te gaan hanteren voor de in Indië geboren Hollanders. Daar werd geschokt, of tenminste afwijzend op gereageerd. Maar Hella Haasse is dat woord blijven proeven en de smaak gaan waarderen. In een artikel van Arjan Peters in De Volkskrant van 1 november 2002, staat dat Hella Haasse in Indië, voor ze in 1938 voorgoed naar Holland ging, geen vaste plek had, maar er was wel een band.

Peters over Haasse: “De band was er een met de natuur en met de specifieke geestesgesteldheid van de ‘Indische’ creolen, die eigenlijk geen groep vormen. Een in Indië geborene van zuiver Europese afkomst is naar geest gemengd”, en Haasse zegt letterlijk “’Ik denk dat dit geestelijk gemengd-zijn sterker is naarmate het zintuiglijke waarnemen meer gevormd is door de tropische omgeving. Een daarginds geborene, die er bovendien de beslissende jaren van de jeugd heeft doorgebracht, is daardoor absoluut bepaald.’ “

Het is mal van Haasse om verschil te maken tussen de wel en de niet in Indië geborenen als ze wel allebei daar ‘de beslissende jaren van hun jeugd’ hebben doorgebracht. Dit even terzijde.

ISOLEMENT

Hella Haasse gaat daar gemakshalve aan voorbij, maar ook de positie die je in dat land met die goddelijke natuur had was cultureel minstens even bepalend. Van contact met de inheemsen was slechts bij weinig Europeanen sprake.

De modernisering van Indië bevorderde nog meer de scheiding tussen de Europeanen en de inheemsen.

Het isolement der Europeanen bestond (door autoverkeer) niet meer, ze konden de avond doorbrengen in de sociëteiten, waar zij ‘altijd mensen van hun eigen ras konden aantreffen’, schreef Vlekke (geciteerd door Dr. L. de Jong). Inheemsen trof men daar niet aan. Pas vanaf 1930 werden hoogontwikkelden en hooggeplaatsten onder hen toegelaten.

Het zat de Hollandse journalist Willem Walraven behoorlijk dwars dat zijn vrouw, omdat ze inheemse was, geen toegang tot de sociëteit had. Innig gearmd wandelde hij met haar demonstratief langs de sociëteit, wat daar alleen maar de lachlust opwekte.

Over Inlanders: op zich was de term inlander niet meer dan een aanduiding, maar gaandeweg – tenslotte ook wel met een hoofdletter I geschreven - kreeg die een beledigend karakter.

“‘In 1908 werd de gematigde vereniging Boedi Oetomo, ‘het schone streven’, opgericht. Soetomo was haar leider, en zijn woorden waren toch niet mis te verstaan: Aan hen die op ons scholden en nog schelden, aan de regering die ons een afzonderlijk plaatsje toewees in de maatschappij en op de scholen, aan allen, die ons beledigden, trapten en nog smaden, aan hen die het woord ‘inlander’ bezigden om ons te krenken, aan u allen, die mede hebt gewerkt om ons het besef op te dringen, dat wij zijn een volk, lui en indolent, dom, vuil, bijgelovig en wreed, ondankbaar en zonder gevoel – aan u allen zeg ik dank, want uw minachting, uw afwijzende houding jegens ons, uw vloekwoorden waren de onwelriekende mest, waarop het zaad der nationaliteit ontkiemde. Dankzij u, onbarmhartige drijvers, zijn we zovele stappen nader tot ons doel: ‘Onszelf’ te zijn.’ ”, uit Rassendiscriminatie van J. W. Schulte Nordholt, 1961. Oetomo’s verwijten waren verre van ongegrond. De door hem beschreven houding der Europeanen was tamelijk algemeen en werd toen moreel niet onaanvaardbaar geacht. Ze werden daarin gestaafd door hetgeen zij lazen in de 33 kranten die in de eerste decennia van de vorige eeuw verschenen. De Locomotief vormde een uitzondering, het had als enige bijlagen in het Javaans, Chinees en Arabisch. Het pleitte voor het ontvoogden van de inheemse bevolking. Toen het een Indonesische journalist verdedigde, kreeg het een stevige fler van Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië dat de inheemse bevolking omschreef als ‘een kudde lakse , domme, onontwikkelde mensen wier denkvermogen, zo niet afwezig, dan toch van allerprimitiefste aard is. Naar onze mening is de Javaan een kind: stout en grillig, lastig en lui, onbetrouwbaar en wreed. Niet in staat om voor zichzelf te zorgen, niet in staat ernstig werk zelfstandig te doen.’

Nederlands-Indië was een door Hollanders dictatoriaal geregeerd land. Dat veranderde toen in Holland men zich bewust werd van de ‘zedelijke roeping’ en een nieuwe politiek (omstreeks 1900) haar intrede deed die “ethische politiek” is gaan heten. Uit alle geledingen van de bevolkingen en politieke groeperingen – voorzover niet verboden – werden vertegenwoordigers tot de Tweede Kamerachtige De Raad van Indië toegelaten.

Ik ga verder met het hoofdstuk “Wat is een totok?”.

Van Indische naar “‘Indische’ creool” is al een flinke stap, maar verwarring blijft, ook al schrijf je ‘Indische’ met aanhalingstekens, zoals in De Volkskrant. Persoonlijk blijf ik vasthouden aan de benaming “totok creool uit Indië” voor de in Indië geboren volbloed Hollander omdat ik die term correct vind. Zijn kinderen noem ik “nazaten van totok creolen uit Indië”. De volbloed Hollander uit Holland is een totok zonder meer.

Veel totoks kunnen hun Nederlands-Indië gevoel niet onder woorden brengen, ook Hella Haasse komt daarin niet ver. Het zijn de tropische natuur en de geestesgesteldheid van de totok creool uit Indië, die maken dat hij anders is dan de Hollandse Hollanders, zegt zij. Heel erg indrukwekkend is dat niet. En bovendien geeft ze mij gelijk. In mijn eerder genoemde lezing, betoogde ik dat het anders zijn van totoks hier en die uit Indië, kwam door kijken naar Indië als ware het een decor en het op die wijze ook ondergaan.

Het was de kijk van de superieure mens naar het landschap dat zijn eigendom was, maar waarvan hij geen deel uitmaakte.

In 1997, drie jaar na mijn lezing, verscheen De zwarte met het witte hart van de Hollandse auteur Arthur Japin. Daarin vond ik mijn decor-idee terug. Prins Kwasi, hij is ‘de zwarte met het witte hart’, zegt: De Europeanen die geen bloedband hadden met de autochtone bewoners van Afrika, wel of niet daar geboren zijn, waren toeschouwers ontroerd door een toneeldecor. Voor hen was Afrika een luxe, de cultuur van Afrika een fenomeen dat opgemerkt kon worden. Afrikanen waren het ’product’ van die cultuur.’ In Indië was dat niet anders, dat zegt ook Hella Haasse.

INDOSE EN TOTOKSE CULTUUR

Hoe zit het nou met Hella Haasse’s Indisch? Die is niet gelijk aan het Indisch van de Indo’s, want hún geestelijk gemengd-zijn is niet (alleen) gevormd door de tropische omgeving, veeleer stamt die af van de mengcultuur van Mestiezen. Aanvankelijk meer aansluitend bij de inheemse, maar later steeds eigener: de Indo was inheems noch Europees. In de V.O.C.-tijd had zijn inheemse moeder geen plaats meer in haar desa, haar domicilie werd de kampong in de periferie van de V.O.C.-vestiging. Bijgevolg verwaterde haar uit de desa stammende eigenheid en vermaleiste. Gaandeweg verdween haar invloed op haar gemengdbloedige nakomeling volledig, ook zijzelf verdween tenslotte. Ook uit de geschiedenis vaak, behalve misschien Wieteke van Dort’s Javaanse oma.

De kampongse gemengdbloedige gemeenschap kreeg (door onderlinge huwelijken) steeds meer een eigen karakter. Het Mestieze en later Indoose. De Hollandse invloed was aanvankelijk ook minimaal tot nihil. De cultuur van de Indo’s ontwikkelde zich in en door de koloniale maatschappij, met de lagere plek voor Indo’s en de hogere voor totoks, en werd zo ‘de mengcultuur van een gediscrimineerde groep’.

De band met de tropische natuur hebben totoks en Indo’s beiden. Veel is dat niet, maar helemaal verwaarlozen hoef je dat ook niet. En als je dat Indisch kan noemen, dan is dat Indisch van Indo’s, totoks en van totok creolen uit Indië. Maar verder waren er grote verschillen. Juist vanwege de geestesgesteldheid die mede bepaald werd door de positie in de kolonie.

De geestesgesteldheid van de totok en van de totok creolen uit Indië was die van de superieure totok tegenover de inferieure Indo, althans dat was zo door de Hollanders bepaald. Al in die zin verschilt het Indisch van de een en de ander als de dag verschilt met de nacht. Indo’s, totoks en totok creolen uit Indië hebben zeker dingen met elkaar gemeen. Maar even belangrijk is om de verschillen te onderkennen. Ze zijn sterk vervaagd bij de jongere generaties Indo’s en totoks hier die samen grotendeels áls Hollanders en mét Hollanders ín de Hollandse samenleving zijn opgegroeid en opgevoed. Maar wat is de invloed van het Indo-Indische en het totok-Indische van thuis op ze? Die is er, stel ik vast aan de hand van hun behoefte aan het oprichten van allerlei Indische en vermeende Indische verenigingen. Maar ook deze nazaten zijn niet over één kam te scheren: de invloed van ouders en familie van Indo-, totok- en totok creool afkomst kan niet eenduidig zijn gezien de verledentijdse verschillen.

De Indo-gemeenschap was niet homogeen, maar het grootste deel van die bevolkingsgroep had wel degelijk eigen kenmerken, eigen wijzen van leven, te omschrijven als Indo-cultuur: Even eigen als de inheemse culturen uit de archipel ginds en de Hollandse cultuur eigen waren. Het gebruik van Indonesische motieven en symbolieken en allerlei rituelen door beeldend kunstenaars, dichters, musici, schrijvers als bewijs voor hun Indisch zijn is zonder zin. Die kunstenaars bevinden zich op een zelfgekozen dwaalspoor.

Er is niets tegen het gebruik van Indonesische zaken in welke kunstvorm dan ook, maar noem dat niet daarom Indisch. Indonesische motieven zijn even vreemd als Finse of IJslandse. Het gebruik dáárvan maakt een schilderij, beeld, gedicht, maakt een verhaal en muziek daarom ook niet Indisch. Door het gebruik van Indonesische zaken als bewijs voor Indisch, wordt Indisch eerder ontkend. Bovendien is dan van kunst geen sprake, maar is het gevaar groot dat het kitsch wordt.

Indisch is Indisch zoals een roos een roos is.

EXOTISME

Ongeveer tien jaar geleden exposeerden twee Indo kunstenaars wiens ouders uit Indië komen. Het duo poneerde toen de stelling dat hun werken voorbeelden waren van traditionele vormen en ideeën binnen een moderne internationale beeldtaal. ‘Daarmee’, zo werd gesteld ‘doorbreekt deze tentoonstelling bepaalde stereotypen die op de pasar malams en tempo dulu bijeenkomsten vaak het Indische bepalen.’

Nu ben ook ik zelden verrukt van de stereotypen op de pasar malams en zo, maar je holt je zelf wel voorbij als je dat alles afwijst. ‘Moderne internationale beeldtaal’ klinkt indrukwekkend, maar in werkelijkheid is het omong kosong, wat letterlijk leeg gepraat betekent. De zogenaamde moderne internationale beeldtaal van de twee hield nieuwe “oude stereotypen” in zoals: Indonesische rituelen, zwart-wit batik uit Bali gecombineerd met stukjes tikar, een kukusan, een beeld in jonkokhouding. Zaken die onlangs, en dat is tien jaar later, tijdens exposities van Indische kunstenaars in drie Delftse musea, opnieuw te zien waren.

Sprekend over het werk op de Delftse kunstmanifestatie stel ik het gemis van Indisch vast. Het kunstenaarsduo dat ik zojuist aanhaalde ontlokte mij tien jaar geleden het volgende: “Er is niks tegen als een kunstenaar zelf haar/zijn werk Indisch vindt. Zoiets behoort tot de categorie persoonlijke claims. Zolang die niet ter discussie worden gesteld, zeggen ze even veel als weinig. Tegenover die enkele persoonlijke ‘waarheid’ staan legio andere. Zolang de één zegt dat haar/zijn waarheid geldt en een ander doet dat ook, en discussie daarover niet gevoerd wordt, ontbreekt de mogelijkheid om vat te krijgen en zicht op deze niet eenvoudige materie. Zolang geen degelijk en deugdelijk onderzoek wordt gedaan, blijft verwarring bestaan. En daar is Indisch noch de kunst mee gediend.” Ik denk er nu nog zo over.

Het is erg verleidelijk om Indonesische motieven te gebruiken, maar het heeft niets met Indisch zijn te maken. Het is het zigeunerjongetje met een traan op de wang: het is kitsch. Er is meer nodig voor Indisch zijn dan het gebruik van de woorden batik, wayang, bergen, sawahs, sirihpruim en afbeeldingen daarvan. Met alleen de woorden IK BEN INDISCH kom je ook nergens. Niet het wóórd “blij”, of het wóórd “ontroert” moet in een gedicht emoties oproepen, maar het gedicht zelf moet dat doen.

Ik heb het al vele malen en in alle toonaarden gezegd en geschreven: Het Indische wordt geboren uit het Indische en dient hem te zitten in de toon, in het ritme, in de muziek als geheel en zo een nieuwe gedaante te zijn, een nieuw ‘wezen’, een nieuwe poëzie, of tenminste andere poëzie, afkomstig van Indisch. De kern van de vernieuwing van wat Indisch als cultuur heeft voortgebracht is geworteld in hetgeen door de Indische cultuur eeuwenlang al is voortgebracht.

Anders handelen mág natuurlijk, iedereen mag zich afzetten tegen het oude, tegen het Tempo Doeloe of vermeende Tempo Doeloe. Maar daarvan is bij de ‘Delftse kunstenaars’ geen sprake. Zij doen hetzelfde als Marion Bloem. Die roept: “Geen woord meer over Indisch, please!”, maar via haar optredens en haar boeken blijft ze aandacht trekken voor haar Indisch zijn.

Laten we wel wezen: oudere Indo’s gedragen zich Indisch en doen dingen die Indisch zijn, omdat ze Indisch zijn en niet om te bewijzen dat ze dat zijn. Ze zijn gewoon zichzelf. Indisch kregen ze in Indië met de paplepel ingegoten.

De een houdt zich vast aan Indisch uit zijn herinnering, de ander wil het Indisch zijn van hem een plaats geven in de huidige tijd. Van beiden is het Indisch geen anstiel, maar eigen en authentiek en behorend tot hun persoonlijkheid. Het is onheus dat zij daarom van “Indisch exotisme” worden beticht, zoals gebeurt. Het is de boel volledig omkeren.

Is er sprake van een in Indië ontstane totok-cultuur? Volgens Hella Haasse vormden de totoks - creolen uit Indië of niet - géén groep. Dus is het door de tropische omgeving gevormde geestelijk gemengd-zijn van totoks een individuele. Als dat zo is, dan kan men niet spreken van “een uit Indië stammende totok-cultuur”. Toegegeven, Hella Haasse spreekt niet namens alle totoks tuurlijk, Rudy Kousbroek evenmin trouwens. Maar hoe zit het dan?

Cultuur ontstaat uit een samenstel en -spel van zaken, van als groep samen opgedane ervaringen. Die worden omgezet in omgangstalen, letterlijk en overdrachtelijk gesproken. Als cultuur ontstaat in een groep met een dominante positie, dan is die cultuur anders dan die van de onderliggende groep zoals bijvoorbeeld de Indo’s.

“De Indocultuur was de cultuur van een gediscrimineerde groep in het voormalige Nederlands-Indië. En net als alle (gediscrimineerde) minderheden, hadden de Indo’s hun culturele identiteit nodig om de dominerende totokcultuur te weerstaan.”, zei de antropoloog Srengèngè in 1996. Hij vond dat er wel degelijk sprake was van een totokcultuur, die hij op veel punten vond verschillen van die in Holland. Het trof hem dat in Holland niet elke blanke een baas was, in Indië wel. Als Hollander was je in Nederlands-Indië lid van de hoogste kaste die alles in de melk te brokken had. De totok cultuur was de cultuur van die hoogste kaste. En die vormde wel degelijk een groep.

Het koloniale verleden met fenomenen als aan elkaar vastgemaakte Inlandse gevangenen, de zo genoemde “kettinggangers”, en het ontstaan van een bevolkingsgroep met het stempel “halfbloed”, telt vele zwarte bladzijden, godzijdank zijn er ook prachtige kleurrijke pagina’s. Het zijn de Europeanen geweest, waaronder veel Hollanders, waarvan de bouwstenen kwamen waarmee, tenslotte, de Indonesische Republiek opgetrokken is kunnen worden. Het zijn zij die cultures tot grote bloei brachten. Producten vaak van uitheemse oorsprong, werden in Indië op schitterende wijze tot ontwikkeling gebracht. Tabak, thee en wat niet meer, ze werden wereldberoemd.

Het bestaan van een elite heeft nog andere mooie dingen voortgebracht, ik moet me beperken, maar laat ik nog de architectuur noemen in diverse vormen voor velerlei doelen, die wordt in het huidige Indonesië nog steeds gekoesterd. En terecht.

En dan sommige bruggen die pijlloos diepe ravijnen overspannen, ze zijn vaak even indrukwekkend als de kathedralen in Europa.

Indo’s en totoks zouden veel méér met elkaar gemeen hebben als de wording van de koloniale maatschappij een andere was geweest. Eerst was er sprake van respect voor elkaar tussen de Europeanen en autochtone bevolkingen. Er werd onderhandeld in plaats van oorlog gevoerd. Er werden vriendschappen gesloten en er bloeiden liefdes op. Maar de heren der ‘compagnieën’ in de diverse thuislanden hadden weinig op met dat softe gedoe, met de relaties tussen gelovige compagniesdienaren en heidenen. Er moest winst gemaakt worden en intussen ook Gods Woord in die verre landen geïmplementeerd. En in Nederlands-Indië moest bovendien het Indisch-Nederlands verdwijnen, dat als kanker vrat aan de schoonheid van het zuivere Nederlands!

PETJOK, TAAL van Indo’s én Totoks

Waar in Zuid-Afrika de mengtaal Zuid-Afrikaans de voertaal werd en was en is van autochtonen, blanken en andere bevolkingsgroepen samen, gemengd en ongemengd, zakte de mengtaal-in-wording Petjok die inmiddels van Indo’s én totoks was, weg in alleen nog de wereld van de Indo’s (in de kampong). De invloedrijkste leden van de Indogemeenschap, die zich (gedwongen) aanpasten, verdwenen uit hun midden. Ze staken hun Indobagage zo ver mogelijk weg en vereuropeesten. Het Petjok werd toen alleen nog door de ‘kleine bungs’ onder de Indo’s gesproken.

Onder meer beeld en taal zijn instrumenten waarmee de Indische cultuur kan worden onderzocht, voortgezet en ontwikkeld. Met beeld heb ik zelf wel wat ervaring: ik heb veel initiatieven genomen voor onderzoek naar Indisch. Verschillende keren door als groep door middel van beeldende kunst met elkaar van gedachten te wisselen. Die onderzoeken stagneerden. Maar ze kunnen zo weer gereanimeerd worden. Taal is nog niet of nauwelijks gebruikt voor dat onderzoek. Het door groepen Indische kunstenaars samen exposeren, samen gedichten en verhalen publiceren, is geen onderzoek doen. Misschien is dat inventariseren, ofschoon zelfs dat nogal hachelijk is. Want wát precies wordt bijeengebracht als kennis over de Indische geschiedenis gebrekkig is of totaal ontbreekt?

Onderzoek doen is daarom allerwegen noodzakelijk. Bijvoorbeeld dus via taal. Maar welke taal? Nederlands kennen we allemaal, ik pleit er daarom voor om voor ons onderzoek nu maar eens het Petjok te gebruiken: een taal met Indische cultuurgeschiedenis die, als we dat willen, voortgezet kan worden en ontwikkeld. We slaan zo misschien meerdere vliegen in één klap.

Prof. J. W. de Vries, kenner van Petjok, is bezorgd over het verdwijnen ervan. Hij stelde in 1991, voor de Studiedagen Indische Nederlanders, het volgende:

“(…) zolang de Indische Nederlanders zich bewust blijven van een eigen identiteit, trots blijven op de eigen etniciteit, en bovendien een specifiek taalgebruik onlosmakelijk verbonden achten met de eigen culturele etniciteit, zal de groepstaal zich kunnen handhaven. Mijn bezorgdheid komt veeleer voort uit het gebrek aan taalkundige belangstelling. Het is nodig dat het taalgebruik van de Indische Nederlanders grondig wordt bestudeerd, en zo gauw mogelijk, want anders zou het wel eens te laat kunnen zijn.” Tot zover De Vries.

Ik deel zijn bezorgdheid, maar vind het gebrek aan belangstelling voor Petjok bij de Indische Nederlanders zelf minstens even zorgelijk. En als er dan ‘ns iets met Petjok wordt gedaan dan houdt dat niet over en staan bij lui die Petjok kennen de tenen krom in de schoenen.

Petjok doe je niet zomaar, doe je dat wel zomaar, dan loop je de kans dat het even lachwekkend is als het in het Duits vertalen van havermoutpap met halfermatspfaffe. Terwijl dat haferflockenbrei moet zijn.

Er zijn Indo’s die zich ook ergeren aan Wieteke van Dort’s Tante Lien taaltje. Willem Wilmink’s creatie van een ‘Indische’ dame, eenmaal het bezit van Van Dort, is de níet Petjòk, maar beroerd Nederlands sprekende Tante Lien geworden.

”De Hollanders vinden dat Indo’s goed Nederlands spreken”, zei een oude Indo eens geruststellend, “Van Dort is zich daar gelukkig niet van bewust, maar dankzij haar denkt men hier dat alle tótoks uit Indië zo beroerd Hollands praten.”

Petjok is een ‘taal’ waarvan het belangrijk is om het ontstaan ervan te kennen wil je die kunnen begrijpen en zo leren. Petjok ontstond ooit gaandeweg tussen Indo’s en totoks. Als er iets is dat Indo’s en totoks eens samen hadden, dan was dat Petjok. Ze kunnen dat bezit, dat bewijs van hun identiteit, ontwikkelen. Al vaker is het idee gelanceerd om een Petjokcursus van de grond te tillen. Ruud Hoemakers, hij is betrokken bij Het Indisch Huis, heeft gevraagd of ik zo’n cursus wil opzetten. Ik wil wel helpen, maar anderen moeten het initiatief nemen. Een mooi begin wellicht voor een Indische cultuur onderzoek.

Indo’s mochten in de periode van 1680 tot ongeveer 1825 niet altijd in ambtelijke functies worden aangenomen of werden er op andere wijze vaak uit geweerd. Hun Nederlands was te beroerd: ze spraken de mengtaal Indisch Nederlands.

Maar veel succes hadden die maatregelen lange tijd niet omdat de Indo’s bij het besturen van de kolonie toch nodig waren. Dus kregen ze de jobs. Het Indisch Nederlands verving het tot dan gangbare Portugees.

Maar die taal beklijfde niet. Hoewel het ontstaan van een klasse mengbloeden niet in de weg werd gestaan, werd de opkomst van het Indisch Nederlands wel verhinderd.

Gangbaar werd tenslotte het zuivere Nederlands, waarmee de ontwikkeling van het Indisch Nederlands, het Petjok, teniet werd gedaan.

Voor Prick van Wely, rond 1900 leraar Nederlands in Batavia, een hele opluchting want die Indo-taal was voor hem ”de kanker die vreet aan onze schone taal.”

De Nederlandse criticus, essayist en romanschrijver Busken Huet, ging in 1868 naar Indië. Twee jaar later al, in 1870, en ofschoon hij slechts een mondje pasar Maleis sprak, schreef hij: ’De gemakkelijke taalvormen van het Maleisch - schijnt het - dooden bij de geboorte een gedeelte van het denkvermogen.’ en Prick van Wely voegt daar later aan toe: ’Waar eenmaal het Maleisch de grondtaal is geweest, laat daar alle hoop varen, dat het Nederlandsch ooit tot zijn recht zal komen.’

Bij Indo’s was inderdaad ook sprake van een grondtaal, maar hun grondtaal was, zoals eerder gesteld, tweetalig. Die was een niet te splitsen menging van het Maleis en het Nederlands.

N.B.: Petjoh en loh!?
Drie oude Indische dames gebruikten het woordje ‘loh’ als argument om Petjoh met een h te schrijven. Da’s echt fout loh! Petjok (niet te vinden in Nederlandse woordenboeken) is een Maleis woord (wel te vinden in Indonesische woordenboeken, in de moderne als Pecok). ‘Loh’ echter stamt waarschijnlijk af van het Arabisch, met name de uitgangen van bijvoorbeeld jah-ilah en hailelah* (de à in lah klinkt eerder als een ò van toch = loh). Geldt ook voor Allah-o-akhbar, spreek uit: ‘lloh-oh-Akhbar! Als iemand (een Indo die Petjok spreekt of het tenminste echt ként) loh zegt, begint dat met een nauwelijks merkbare lichte ademstoot als ‘aanloopje’, om als het ware aan te geven dat het slechts een deel van het gehele woord jah-ilelah of hailelah, is. Vergelijk het Nederlandse Goh!, van gossiemijne (van: God, zie mij.?). De uitgang lah (loh) in het Maleis en Bahasa Indonesia stamt in de meeste gevallen van het Arabisch.

* Jah-ilah of hailelah = (zaman) jahiliah (periode vóór Mohammed).

Tjalie Robinson schreef altijd lò i.p.v. loh. Dat is onjuist, evenals zijn Petjoh en Petjoek voor Petjok. Ik vermoed omdat hij nooit een studie van het Bataviaans c.q. het Indisch-Nederlands c.q. het Petjok heeft gemaakt. Tjalie Robinson (Jan Boon) is in Holland geboren en is op zijn achtste jaar, naar ik meen, naar Indië gegaan. Hij luisterde misschien met ‘Hollandse oren’ so too speak en paste hetgeen hij op die manier hoorde toe in zijn werkelijk schitterende verhalen (in Ik en Bentiet bijvoorbeeld). Dankzij hem, hij is zowat de beroemdste Indo onder de Indo’s, wordt het correcte Petjok met een k, helaas nogal eens ingewisseld voor het niet correcte Petjoh met een h. Prof. De Vries (Leidse Universiteit) deed dat ook, waarna zijn studenten het overnamen. Dat krijg je er nooit meer uit, tuurlijk.
MIEKE WEET HET BETER… (uit Tjabé Rawit Spésial nummer 56, ‘05)
Mieke Zijlmans in De Volkskrant van 16 augustus 2005: “Petjoh, een vrijwel verdwenen mengvorm van Nederlands en Maleis.” Weet Mieke veel. En Van Dale, van 1996, zet Mieke ook al niet op het goede spoor, want in Van Dale Handwoordenboek Hedendaags Nederlands is de benaming Petjok niet eens te vinden, ook het verkeerde Petjoh niet. Er staat wel dat Indisch-Nederlands gesproken wordt door mensen die in het voormalige Nederlands-Indië hebben gewoond. Kleine moeite voor Van Dale om, naar waarheid, erbij te vertellen dat Indisch-Nederlands c.q. Petjok c.q. Bataviaans, praktisch alleen gesproken werd/wordt door de Indo-Europeanen onder de ’mensen die in het voormalige Nederlands-Indië hebben gewoond’. En bovendien vrijwel alleen door de ’kleine boengs’ onder hen.
Beste Mieke, als je bijvoorbeeld Kamus Umung Lengkap Belanda-Indonesia, Indonesia-Belanda, of elk ander uit Indonesië stammende woordenboek zou hebben ingekeken, had je geweten dat het niets anders kan zijn dan Pecok (spreek uit Petjok). In die boeken vind je verder ook: “Pecok de taal (dialect) van de Indo’s, gebaseerd op het Nederlands.” Gebaseerd op het Nederlands is volkomen correct en dus anders dan Mieke Zijlmans meent.’
Dane Beerling, 2003/2005.

Lees ook "Leew is tijher, alleen sijn celana monyet met sonder strepen.Petjok." op pagina boeken en Cd's. Ga ook naar de pagina Reacties.

!U bent vrij om gegevens, artikelen, gedichten enzovoorts van onze sites over te nemen voor privé gebruik, maar vermeldt daarbij wel de bron, anders zouden uw familie, vrienden en kennissen denken dat u de maker bent.

Overnemen en publiceren , in welke vorm dan ook, mag alleen met schriftelijke toestemming van auteur en Indische Cultuur (in) Beweging.

Bronvermelding is altijd verplicht. U loopt anders gemakkelijk het gevaar dat u van plagiaat wordt beschuldigd. In het openbaar overkomt dat Adriaan van Dis nu al voor de tweede maal.

Copyright © 2005Indische Cultuur (in) Beweging en D. W. Beerling

 
Copyright © 2010 TjabeRawit.nl Indische Cultuur (in) Beweging en Dane Beerling
Alle rechten voorbehouden.
Banner