|
Let op!
BLAUWOGIGE AALSCHOLVERS… over de 'Indotaal' Petjok Dane Beerling
(Reactie op de lezing van Evita Melger op de Pasar Malam Besar van 24 mei 2007)
Het grootste deel van het hierna volgende artikel staat ook in Tjabé Rawit Spésial nummer 72. Het leek ons wel aardig om Evita Melger en Dr. Vincent van Rooij ieder een exemplaar te geven. We wisten hun adres niet en stuurden drie Tjabé Rawit Spésials naar Pasar Malam Besar, Celebesstraat 62, 2585 TM Den Haag. Eén voor de Pasar Malam Besar zelf en de andere twee t.a.v. resp. mw E. Melger en Dr. V. van Rooij. Die van Melger en Van Rooij kregen we van Pasar Malam Besar retour. Op de envelop stond venijnig: niet werkzaam hier! (inclusief uitroepteken).
Buiten enkele bezolgde optredens, heeft de Pasar Malam Besar (c.q. Stichting Tong Tong) ook wel eens op andere wijze een beroep op Beerlings medewerking gedaan. Hij heeft dat nooit een probleem gevonden. Maar kennelijk geldt “de ene dienst is de andere waard” niet voor de Pasar Malam Besar (c.q. Stichting Tong Tong).
Later, als reactie op ons verzoek om de adressen van E. Melger en Dr. V. van Rooij aan ons te geven, per E-mail:
Geachte Heer Beerling,
Uw Tjabe Rawit Spesial is reeds naar hen (Van Rooij en Melger) toegezonden, door mij. Toen ik het gisteren zag, heb ik de 4 pagina's gelijk gekopieerd, zoals het origineel gevouwen en opgestuurd. (...).
Overigens heb ik de spelling van petjo' (Petjok? D.B.) hier ook op de agenda gezet. Dus er gebeurt wel wat mee...
Met dank,
Tineke Mook (Pasar Malam Besar).
Blauwogige aalscholvers…
De een schrijft Petjoh, een ander weer Petjok en Petjo kan ook. Voor mij is Petjoh de juiste benaming voor de taal van Indo’s, want afstammend van Petjoeh. Petjoeh is de Javaanse naam voor aalscholver, maar tevens de (neerbuigende) naam voor Indo-Europeanen zelf.
Dat hield de op het oog derde generatie Indo Evita Melger ons voor op de Pasar Malam Besar (24/5/07) tijdens de door haar en Dr. Vincent de Rooij gehouden lezing. Beiden zijn taalkundigen, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Dr. de Rooij hield een korte maar boeiende inleiding over mengtalen in het algemeen, waaronder die van allochtone en autochtone jongeren van nu. In het verhaal van Evita Melger mengde hij zich niet.
Geestig, maar niet zo bedoeld, reageerde iemand uit de zaal op de bewering over aalscholvers, bevestigend dat de kleur van de ogen van aalscholvers variëren van lichtbruin naar geel tot blauw, en dat bij Indo’s de kleuren van de ogen ook vaak verschillen: Indo’s hebben lang niet allemaal zwarte of donkerbruine ogen.
In een Javaans-Nederlands woordenboek uit 1906 staat voor aalscholver: petjoek, een woord dat ook gebruikt werd voor bijl en hak. Petjoeh hebben we niet kunnen vinden. Waarom Petjoh dan toch met een h zou moeten is ons een raadsel. Petjoek betekent ook (gemene) Indo (-Europeaan). Met gemene wordt bedoeld de mens. In een Maleis-Nederlands woordenboek uit 1936 vonden we voor gemeen: orang = mens. En in de Van Dale uit 1904 staat: gemene = gewone. De naam Petjoek (met k) voor Indo is dus niet neerbuigend bedoeld. Maar het kan best zo zijn dat Javanen Indo’s met aalscholvers hebben vergeleken en dat om te beledigen. Dat moet dan gebeurd zijn nádat die Indo-Europeanen er al lang waren. Maar dat de naam ‘Petjoh’ is ontleend aan Petjoeh (volgens Melger) is onzin. Petjok met een k (Indisch-Nederlands c.q. Bataviaans (!)) ontstond in de begintijd van de VOC in Indië, voornamelijk in Batavia op West-Java, en in veel mindere mate ook in Makassar (Celebes). In Batavia had de VOC haar vroegste belangrijkste vestiging en bovendien ook grote gebieden daaromheen. Gouverneur-generaal Pieter Both en zijn opvolgers zochten in opdracht van de compagnie naar een geschikte plaats voor de vestiging van het hoofdkantoor van de VOC in Indië. Het werd, tenslotte, Jacatra, later door Jan Pietersz. Coen, de vierde gouverneur-generaal op rij in Indië, en stichter van Batavia, omgedoopt in Batavia. Hij versterkte de factorij1) daar met een fort en installeerde er het centrale bestuursapparaat.
Al langer is vastgesteld dat Petjok een mengvorm is van de kusttaal Maleis en het Nederlands, ook door hen die menen dat de naam ‘Petjoh’ uit het Javaans afkomstig is, zoals Evita Melger zelf.
In het zuiden van Midden-Java, sprak men Hoog- of Laag-Javaans en in de begintijd van de VOC, (níet of nauwelijks) de kusttaal Maleis. Je kan dan moeilijk volhouden dat we gehouden zouden zijn aan Petjoh in plaats van Petjok.
De eerste (regelmatige) contacten tussen zeelieden van de Hollandse schepen en inheemse vrouwen, vonden voornamelijk plaats in de periferie van de VOC-vestigingen, op wat grotere schaal vooral rond Batavia. Uit die contacten kwamen kinderen. De vaders leerden hun Maleissprekende en Maleisdenkende kinderen wat Nederlandse woorden. Die kinderen stonden op die manier aan de wieg van een eigen taal. Die taal kreeg dáár, rond de VOC-vestiging in Batavia, haar naam. Aanvankelijk Bataviaans genoemd (in de communicatie tussen Europeanen en Indo-Europeanen onderling), en ook Petjok.
De inheemse moeders en andere inheemsen niet-Europese volwassenen rondom de Bataviase VOC-vestiging, spraken Maleis en verstonden het zich buiten hen ontwikkelende mengtaaltje van de kinderen niet. ‘Omong apa itu anak anak, iya!’ (‘Wat spreken die kinderen toch!’), stellen we ons voor dat de volwassenen riepen. Misschien begrepen ze wel dat het een vermenging betrof van wat de Belanda’s (Hollanders) spraken en de eigen taal. Maar het klonk raar. Dat dat ‘taaltje’ hen gedeukt (petjok = gedeukt) voorkwam, lijkt niet aannemelijk, want gedeukt Maleis was het niet en dat het gedeukt Nederlands zou kunnen zijn, konden zij niet beoordelen: zij verstonden geen Nederlands. Deze overwegingen, en het gegeven dat Batavia ook toen al een ‘meltingpot’ was en het Maleis beïnvloed was door allerlei talen, waaronder Arabisch en Chinees, en vooral ook door allerlei manieren van het fonetisch spreken van het Maleis met ongetwijfeld veel klankverschillen, houden wij het erop dat de oorsprong van de naam is ontleend aan petjil (een allegaartje van kip-, vis- en vleesrestjes, wat groenten met daaroverheen een katjangsausje, veel eenvoudiger dan gado gado). Door klankverschil is, veronderstellen wij, Petjil tenslotte ‘verbasterd’2) tot Petjok. Met een k aan het eind omdat de k in het Maleis in de meeste gevallen niet wordt uitgesproken en de h juist wel3).
Intensieve contacten tussen Nederlanders en Javanen, veel, veel dieper Java in, ontstonden pas later.
Het aantal gemengdbloedige kinderen groeide uit tot een heuse bevolkingsgroep, los min of meer van de inheemse. Later richtte Jan Pietersz. Coen een wijk in Batavia in (‘negorij’) speciaal voor de gemengd-Europees-Inheemse bevolkingsgroep. Aan het hoofd stond een uit hun midden gekozen ‘majoor’ (soort burgemeester, vergelijk het Engelse mayor). Die wijk, Kemajoran geheten, maar nu niet meer voor Indo’s, bestaat in het huidige Jakarta nog altijd en heet nog immer Kemayoran, maar nu met een y inplaats van een j.
Door gebrek aan volbloed-Europees personeel werden de open plaatsen van de VOC-kantoren al spoedig door gemengdbloedigen ingenomen die inmiddels (wat) lezen en schrijven hadden geleerd. Weliswaar was hun taal niet ‘volmaackt’, bruikbaar was zij wel. Gaandeweg gebruikten de volbloed-Europeanen haar ook zodat het Bataviaans zich snel ontwikkelde in de richting van een ‘complete’ taal en in de plaats kwam van het tot dan gangbare Portugees. Er kwam pas de klad in nadat Hollandse taalpuristen haar afwezen en bestreden. Het Bataviaans c.q. Indisch-Nederlands c.q. Petjok, in een tenslotte ‘eenvoudiger vorm’, verdween naar de marges van de Nederlands-Indische samenleving en werd het idioom van voornamelijk de ‘kleine bungs’ onder de Indo’s.
Evita Melger vertelde ook kort over het verschil tussen ‘Petjoh’ en Indisch-Nederlands, maar concludeerde tenslotte zelf dat er geen verschil is. Waarvan akte.
Hieronder een fragment uit: “LEEW IS TIJHER, ALLEEN SIJN CELANA MONYET MET SONDER STREPEN. PETJOK”.
Het heeft maar weinig gescheeld of er zou in het voormalige Nederlands-Indië geen Nederlands zijn gesproken maar Indisch-Nederlands c.q. Petjok. Ook in Zuid-Afrika verdween het Nederlands om plaats te maken voor het Afrikaans dat aan het Indisch-Nederlands/Petjok verwant is (een ‘eenvoudiger’ vorm wordt door een deel van de Maleierbevolking4) daar gesproken en geschreven, w.o. gedichten).
In Nederlands-Indië mochten Indo’s - Inlandse kinderen genoemd - in de periode van 1680 tot ongeveer 1825 niet (altijd) in ambtelijke functies worden aangenomen of werden er op andere wijze vaak uit geweerd. Hun Nederlands was te slecht vond men: ze spraken de mengtaal Indisch-Nederlands c.q. Petjok. Maar veel succes hadden die maatregelen lange tijd niet omdat de Indo’s bij het besturen van de Nederlandse kolonie toch nodig waren. Praktisch overal in de wereld vormden mengbloeden de ruggengraat van de kolonies. In Nederlands-Indië was dat niet anders, dus kregen de Indo’s toch de (administratieve) jobs.
’Die functies gaven de groep van Indo-europeanen zijn eigenlijke karakter, los van de biologische bepaaldheid. Het Indisch-Nederlands verving het tot dan gangbare Portugees.’ 5)
Maar die taal beklijfde niet. Hoewel het ontstaan van een klasse mengbloeden niet in de weg werd gestaan, werd de opkomst van het Indisch-Nederlands c.q. Petjok wel verhinderd. Gangbaar werd tenslotte het zuivere Nederlands. Daarmee werd de ontwikkeling van het Indisch-Nederlands c.q. het Petjok, definitief teniet gedaan.
Voor Prick van Wely, leraar Nederlands in Batavia, een hele opluchting, want die ’Indo-taal’ was voor hem ’de kanker die vreet aan onze schone taal.’
In 1870 schreef Busken Huet, publicist, ’De gemakkelijke taalvormen van het Maleisch - schijnt het - dooden bij de geboorte een gedeelte van het denkvermogen.’
En Prick van Wely voegt daaraan toe: ’Waar eenmaal het Maleisch de grondtaal is geweest, laat daar alle hoop varen, dat het Nederlandsch ooit tot zijn recht zal komen.’
1) Volgens Van Dale’s Woordenboek Der Nederlandse Taal uit 1904 is factorij: grote neerzetting of vestiging van den handel in vreemde landen.
2) Klank- en spellingsverschillen kwamen/komen vaker voor. De hoofdstraat van Semarang heette lange tijd Bodjong. Ook na de overdracht van Indië aan Indonesië. Maar Bodjong was eertijds een straat van lichte zeden: bodjong is de verbastering van het Nederlandse woord bootjongens. Een van de spoorwegstations van Yokyakarta heet Klitren wat is afgeleid van het Nederlandse koelietrein. En bijvoorbeeld pidgin is Chinees voor business. (Zie ook tekst bij de foto hieronder).
3) Lees ook Dane Beerlings “LEEW IS TIJHER, ALLEEN SIJN CELANA MONYET MET SONDER STREPEN. PETJOK” , het meest complete boek over en in Petjok en “PUUR PETJOK”, verhalen in Petjok.(Klik op Boeken en CD’s.).
4) Maleiers zijn afstammelingen (ook blank-zwartgemengden) van Indonesiërs die door de VOC naar Kaapstad werden gebracht.
5) ”Verslag over het Indisch-Nederlands (Petjok) van het werkcollege van Prof. Dr. W. F. Wertheim, opgesteld door H. Voskuil - 1949/1950".
Het geboortehuis van Rob Nieuwenhuys, het Hotel du Pavillon aan Bodjong, de hoofdstraat van Semarang. Zijn ouders woonden aan de achterzijde die uitkwam op Belakang Kebon (letterlijk: achtertuin), een straat van veel minder allure dan het ‘deftige’ Bodjong. Foto en onderschrift overgenomen uit: DE ENGELBEWAARDER. ROB NIEUWENHUYS. De Engelbewaarder/Amsterdam 1982.
U bent vrij om gegevens, artikelen, gedichten enzovoorts van onze sites over te nemen alleen voor privé gebruik, en vermeldt daarbij wel de bron, anders zouden uw familie, vrienden en kennissen denken dat u de maker bent.
Overnemen en publiceren, in welke vorm dan ook, mag alleen met schriftelijke toestemming van auteur en Indische Cultuur (in) Beweging.
Bronvermelding is altijd verplicht. U loopt anders gemakkelijk het gevaar dat u van plagiaat wordt beschuldigd. In het openbaar overkomt dat Adriaan van Dis nu al voor de tweede maal.
Copyright 2006-2008 Indische Cultuur (in) Beweging en D. W. Beerling
|