Delen van het onderstaande stammen van mijn, Dane Beerling, artikel Onzin over Indisch en Indo, verschenen in De Gordel van Smaragd nr. 3, november 2003, jaargang 23, aangevuld met wat recentere zaken.
VARA TV, 20 september 1998
De cabaretier Youp van ’t Hek plaatst een contactadvertentie. Een vrouw belt en zegt ongeveer twintig jaar te zijn en bovendien van Indonesische afkomst. Er wordt een afspraak gemaakt, maar de vrouw belt steeds opnieuw en dingt almaar af op haar leeftijd. Youp, hij heeft over zijn leeftijd ook gejokt, is ruimhartig en vraagt haar om toch langs te komen. Als ze weer belt zegt ze dat ze ook niet van Indonesische afkomst is, maar hadden haar ouders Indonesische kennissen. Zegt Youp van ’t Hek tegen het publiek: “Als je niet oppast is ’t Wieteke van Dort.”
Dat Van Dort Willem Wilminks creatie “Tante Lien” speelt, zegt men, heeft te maken met haar ‘Indisch zijn’. Maar alleen domoren vinden dat.
Wieteke van Dort beweert zelf dat haar babu’s haar volgestouwd hebben met verhalen uit de Indonesische geestenwereld en haar kokkie Tattoe is haar inspiratiebron geworden voor “Tante Lien” met haar ‘kromhollandse teksten’ (Josephine The-Postma in De Gordel van Smaragd van 2/7/03, jaargang 23). Behalve Wieteke is er niemand die een inheemse bediende van destijds heeft horen spreken zoals Van Dort als Tante Lien. Indo’s wonden en winden zich op over Van Dort omdat ze met “Tante Lien” een karikatuur van ze maakte en maakt met haar sarong, haar opgetrokken bovenlip, haar pruik-plus-kondé (knoet) en haar ‘kromhollands’. Er zijn er niet veel die kritiek op haar hebben, maar met dat beetje wil ze toch rekening houden.
Tenslotte schreef ze het boek KIND IN SURABAJA (een Indisch kind). Wieteke mag, net als elke andere auteur, liegen dat ze barst. Als schrijvers dat doen is dat soms hartstikke leuk. Maar vervelend wordt het als fictie verkocht wordt als waarheid. Ik zeg niet meteen dat Wieteke (in haar boek) jokt, maar ze maakt het me wel erg moeilijk om haar te geloven. De ene keer zegt ze, naar waarheid, dat ze een totok (volbloed Hollander) is (NINESDAG 1988 (?)), en de andere keer zegt ze, wederom naar waarheid, dat ze een Indische is (ze exposeerde met een groep vrouwelijke schilders onder het mom van Indische kunstenaars), en op een ander moment is ze een “witte Indo” (NRC-Handelsblad 17/9/97), opnieuw naar waarheid. Bij Omroep Max, op 20 oktober 2009, herhaalde ze dat ze een “witte Indo” is.
Al dat Indo gedoe van Van Dort moet ook Lizzy van Leeuwen op een dwaalspoor hebben gebracht. In de inleiding van Van Leeuwens artikel in De Groene Amsterdammer (09/10/09): “Het verhaal van de Indo’s ‘JIJ HEBT GEEN LAND’”, lezen we “‘Al zestig jaar lang vragen veel Indo’s in Nederland zich af: wie zijn wij en wie willen wij zijn? Vijf prominenten onder hen doen hun ‘Indische verhaal’”. Maar het zijn er geen vijf, het zijn vier Indo’s en de totok Wieteke van Dort.
Het moet in 1988 geweest zijn, tijdens de jaarlijkse NINESDAG. Toen, net als op alle momenten waar groepen mensen bijeenkomen om zich aan exotische zaken uit het voormalige Nederlands-Indië tegoed te doen, stond Wieteke van Dort op het programma. Toen ze opkwam, ze had nog geen enkel geluid geproduceerd, ook niet haar beruchte ‘Petjok’, was er al gemor bij een deel van het jonge en ook oude Indo-publiek. De ervaren artieste ging daar heel handig mee om, want de meerderheid kwam speciaal voor haar. Met een knipoog zo vet als Hollandse ‘sju’ soms kan zijn, richtte ze zich tot die meerderheid, in haar ‘kromhollands’, dat ze dus van haar kokkie Tattoe heeft. Vertaald in Nederlands zei ze, met haar duim in de richting van de morrenden wijzend, ongeveer: “Omdat ik een totok ben, ben ik volgens hen niet Indisch.”
Jaren later bedacht ze voor haar criticasters iets nieuws. Naast “Tante Lien”, alias ‘Kokkie Tattoe’ verscheen een nieuwe ster aan het toneelfirmament. ‘Apa boleh buat iya?’, zal ze gedacht hebben ‘Coba, ik vertel dat ik een Javaanse oma heb…’
Dat heeft ze dus gedaan, opnieuw naar waarheid, aan een journalist van Wereld Omroep Nederland. Ik weet het niet, ik kijk nooit naar Wieteke van Dort, maar ik wed dat die nieuwe ster aan het firmament er al lang is. Het is de erbarmelijk Nederlands sprekende nenek “Momoh-Kabut-Nenek-van-Dort” (de mistige geest van Oma van Dort).
Lizzy van Leeuwen vertelde me dat die grootmoeder of overgrootmoeder, volgens Van Dort, uit Sumatra komt. Hoe waar is Wieteke’s waarheid?
Je als totok Indo noemen gebeurt niet uit solidariteit met de Indo. Niet nodig ook. In Indië destijds misschien wel, maar toen was er geen enkele totok die zich Indo noemde. Nu, hier in Holland wel. Maar totok lui die zich in Holland Indo noemen, of “witte Indo” zoals Wieteke van Dort, zijn geen nieuw fenomeen. Al in 1931 schreef de Indo Dr. J. Th. Koks in zijn studie “De Indo”: ‘Daar, in “kampoeng Den Haag”, eten menschen, die in Indië nooit rijst aten, dag in dag uit rijst, hebben zij, die hun leven lang opzettelijk zoo weinig mogelijk Bataviaansch (is Petjok D.B.) gesproken hebben, er behoefte aan, om hun Nederlandsch te pas en te onpas te doorspekken met Maleische en Javaanse woorden. Wat z’n heele leven Indo-hater geweest is in daden, werpt zich hier plotseling op tot zijn pleitbezorger. Hoe zou het ook anders kunnen; zij zijn bijkans zelfs “Inlander” geworden, niet daar, maar hier, in Nederland.’”
Er zijn Indo’s en er zijn totoks, wees daar senang mee, al!