De recensie van Prof. W. Willems vindt u verderop op deze pagina
Wetenschappers en auteurs aan het woord over Indië
INDIËRS
DE EEUW VAN MIJN VADER (vijfendertigste druk, maart 2007), Geert Mak,
Uitgeverij Atlas - Amsterdam/Antwerpen.
Verwarrend
In passages over het voormalige Nederlands-Indië, wordt door zijn ouders nogal eens gesold met begrippen over Indischen (Indo-Europeanen, kortweg Indo’s) en ook met andere zaken met betrekking tot Indië. Over de Indo´s zelf wordt vaak denigrerend gesproken. Geert Mak citeert daaromtrent o.m. uit brieven van zijn ouders en hetgeen een zuster van hem daar later over vertelde. Zijn moeder, domineesvrouw, had aan gemengde relaties ´een broertje dood´, want daar kwamen halfbloeden uit voort. Over een mogelijk huwelijk tussen een Hollandse jongen en een Indisch meisje, zei ze: ´Snap jij nu dat de ouders zoo´n huwelijk toestaan. Ik heb nog liever met een rasechte Javaan van doen dan met iemand van gemengd bloed. Eigenlijk zijn het stakkers.´ Ideeën die in blanke kringen algemeen gangbaar waren. Anderen gingen hem voor, maar ook Geert Mak constateert dat in Indië sprake was van een ´ver doorgevoerd apartheidssysteem´. Zijn zuster Anna herinnerde zich een oud Indisch echtpaar, moslims die christen waren geworden en die soms bij Maks ouders kwamen praten. ´Die werden altijd achter in de keuken ontvangen, niet in huis.´
Het lijkt mij dat Anna´s ´Indisch echtpaar´ een Indonesisch echtpaar betreft. De ´Indië materie´ schijnt voor Hollanders die nooit in Indië zijn geweest, nogal gecompliceerd te zijn. Dat lijkt ook zo voor Geert Mak, die op het kompas vaart van wat zijn familieleden daarover schreven. Koffervolle notities. Er is overal elders, bij de universiteiten van Amsterdam en Leiden bijvoorbeeld, veel informatie beschikbaar over de voormalige kolonie. Mak heeft dat alles geen blik gegund, is mijn indruk. Hij beperkt zich letterlijk tot de eeuw van zijn vader (en moeder, zusters en broer).
Vooral voor de Indo-Europese bevolkingsgroep is, behalve afkeer, bij de domineesfamilie van Mak weinig aandacht, terwijl die gemeenschap drie, vier keer groter was dan die van de volbloed Hollandse. De Indo’s waren op allerlei posities te vinden, ook op hoge, ofschoon ook dan steeds gediscrimineerd en genegeerd.
De grote economische crisis van de jaren 30 sloeg ook in Indië toe. Velen verloren hun baan. Geert Mak: ‘Voor de Europeanen betekende dat meestal de boot naar Holland, voor de Indonesiërs een terugkeer naar de desa, waar ook al niets te eten was.’ Over de ontslagen Indo-Europeanen wordt met geen woord gerept, terwijl zij de grootste en zwaarste klappen te verduren kregen: zij werden (hun salarissen waren hoger dan die van Indonesiërs) als eerste ontslagen en bovendien massaal. Zij gingen niet naar Holland, maar de weg naar de desa’s bestond voor hen evenmin. De Indo-Europeanen hadden geen grond, ze mochten dat niet eens in bezit hebben waren toen in de meeste gevallen aangewezen op liefdadigheid. Over de desa’s zegt Mak dat daar niets te eten was. Maar in de desa’s hadden de Indonesiërs eigen grond om rijst en andere zaken te verbouwen. Nogal wat van de Indo vrouwen gingen een relatie aan met Indonesiërs juist vanwege hun rijstveldjes. Het was een extra klap voor de mannelijke leden van de Indogroep, vooral ook mentaal gesproken. Ze waren voor de vrouwelijke leden van hun eigen bangsa* niet meer laku*. (De vertaling voor de met een * gemerkte woorden, vindt u aan het eind van dit artikel).
Beledigende termen
Wordt er door de Maks al iéts over de Indo’s gezegd, dan is dat zonder meer negatief. En er worden voor hen termen gebruikt die in Indië nooit gangbaar waren, bovendien waren ze ook nog beledigend. Voor elke groep gold trouwens dat met benamingen voorzichtig moest worden omgegaan. Noemde je een volbloed Hollander Indo, dan werd je onmiddellijk toegesnauwd: ‘Noem mij alsjeblieft geen Indo zeg!’ Dezelfde reactie kon je ook van een Indonesiër verwachten als je hem Indo noemde. Noemde je een Indo Indonesiër/inlander dan was dat weer voor de Indo beledigend. De Indonesiër en de Indo vochten dat meestal wel uit, letterlijk soms. Als kinderen vochten totoks en Indo´s dat ook zelf uit, maar eenmaal volwassen hield de Indo zijn klep tegen de totoks dicht.
Bij de Maks zijn Indo´s de ene keer Indischen en de andere keer weer Indiërs. De term Indiërs wordt door hem ook voor Indonesiërs gebruikt. Je zou verwachten dat Geert Mak wel zou weten dat Indiërs geen Indonesiërs zijn. Hij laat dat in het midden, volstaat met het citeren uit brieven en verhalen. Maar hij neemt ze tenslotte ook domweg over en gebruikt ze verder regelmatig. Als argeloze lezer kom je daar nooit meer uit.
De benaming Indiërs gold voor lui die kwamen van het Indiase continent. Ze werden ook Brits-Indiërs genoemd. Iets anders is als ‘Indiërs’ werd gebruikt t.b.v. het streven van de Indische Partij van de Indo E.F.E. Douwes Dekker (achterneef van Ed. Douwes Dekker). Zijn doel was om Indo’s, Indonesiërs, maar ook Chinezen en (met inheemsen gehuwde) Hollanders die al generaties lang in Indië verbleven, te verenigen. Onder de naam ‘Indiërs’ zouden zij zich gaan scharen achter het streven “Indië voor de Indiërs!” Ook Soekarno zag dat zo en hanteerde in zijn pleitrede “Indonesië klaagt aan!” daarom het begrip ‘het Indische volk’. Én bij de Indische Partij én bij het beeld dat Soekarno voor ogen stond bleven de verschillende bevolkingsgroepen hun eigenheid, religie en naam behouden: Indo’s, Indonesiërs, Chinezen en Hollanders met gemengde relaties. ‘Eenheid in verscheidenheid’, daar ging het om.
Op pagina 255 vertelt Geert Mak over een conflict tussen een mannelijke bediende – een Indonesiër want een huisbediende, dus een djongos/jongos* - en de moeder van Mak. De bediende was al langer ‘vervelend’ en ‘brutaal’. Mak: ‘Ik zal er nooit achter komen waarom de ruzie precies ging. Uit dit incident blijkt echter iets veel belangrijkers: een Indische bediende zei opeens iets terug, en pikte het niet langer. (…).’
Mak noemt een Indonesische bediende ten onrechte Indische bediende. Op pagina 259 schrijft hij weer: ‘(…) Er werden demonstraties georganiseerd waar Indo-Europeanen en Indiërs samen optrokken (…).’
Zijn die dingen niet louter details, te onbelangrijk om je erover op te winden? Nee, het zijn geen details en wel degelijk belangrijk: tenminste mag je van historici verwachten dat ze in hun visie op de geschiedenis uitgaan van feitelijkheden. Indien niet, dan kan al gauw sprake zijn van geschiedvervalsing. Ik heb er recht op dat van mijn geschiedenis geen rotzooitje gemaakt wordt.
Elders op deze website www.tjaberawit.nl zijn talloze over- en inzichtelijke pagina’s te vinden die over Indië gaan - en over de Indo’s uiteraard. Maar ik ben er nog lang niet. Ajo doorgaan maar, iye? Zeker voor wat Indischen (dus Indo’s) en hun ´kenmerken´ betreft en zeker ook hun gevoeligheden.
Wie was wie ginds?
Indischen zijn Indo´s: nakomelingen van gemengd Indonesische (inheemse, inlandse) en Europese relaties. Let wel: in Indië. (In Holland werd en wordt daar niet meer zo op gelet). Voor mij is dat helder als kristal. Maar voor de in Holland geboren Geert Mak niet. Zijnzuster Tineke maakt het hem ook niet gemakkelijk: ´Indische en halfbloed kinderen kwamen nooit op je verjaardag, en iedereen vond dat van zelfsprekend. (…).´ en Anna: ´Ik fietste een keer naar de stad, en voor mij uit fietste een inlandse (Indische. D.B.) vrouw die een pakje liet vallen. Ik wilde het voor haar oprapen, maar zij was me al voor. (…)´. Op die manier schep je weinig tot geen duidelijkheid over wie ginds wie waren. Behalve dan als het gaat om volbloed blanken: totoks*. Daar bestond geen enkel misverstand over.
Indo’s verhaspelden al die gehanteerde termen nooit, totoks in het algemeen ook nooit trouwens. Het gebeurde vooral bij de totok baru*, totoks die uit Holland kwamen zoals het gezin Mak. Terwijl de totok baru (lett.: nieuwe Hollanders) ook al gauw de juiste termen en benamingen hanteerden. De geldende mores op andere terreinen werd eveneens snel eigen gemaakt. Tenslotte werd ook bij de Maks alleen zondags gerijsttafeld, op de andere zes dagen was het aardappels, groenten en vlees wat de pot schafte. De Maks zaten op Sumatra, maar ook bij de totoks elders in Indië was dat gebruikelijk. Op Java bijvoorbeeld bij de auteur Hella Haasse thuis. Dat had alles te maken met het voorkomen dat je verindischte. Hollandse kinderen nodigden geen Indo-Europese kinderen uit op hun verjaardagsfeestjes, en zeker geen Indonesische. Ze wisten precies wie Indisch (Indo-Europees) of Indonesisch was.
In Holland wekt de ‘preciesheid’ waarmee Indo’s zaken uit Indië duiden, irritatie, of nog erger desinteresse. Maar beste lezers, die ‘preciesheid’ werd ons met de paplepel ingegoten om ons zo doende te kunnen handhaven in dat ´ver doorgevoerd apartheidssysteem´ van Indië. Je kon je daaromtrent gewoonweg geen fouten veroorloven. Deftig…
Het is niet alleen Geert Mak die Nederland over Indië in verwarring laat/brengt. In zijn boek ´S NACHTS KOMEN DE VOSSEN schrijft Cees Nooteboom over ene Tico´(…) Hij een beetje Indisch, heel deftig praten, in de verte nog dat accent. Vader bij het knil. Sergeant maar toch deftig praten. Koloniale hangups. Altijd bang niet voor vol te worden aangezien. (…)´ Nooteboom weet niet dat ´deftig praten´ het gevolg is/was van de geïsoleerdheid van het Nederlands ginds: een handjevol Nederlandssprekenden in een maatschappij van vele miljoenen Maleissprekenden. Het gevolg van dat isolement was dat ook de Hollanders zelf ‘deftig’ gingen spreken, en allerlei uit Holland stammende accenten en dialecten verdwenen. Dat ´deftige praten´ van Tico heeft niets van doen met arrogantie. Dat Tico’s deftige Nederlands anders klinkt dan dat van Hollanders van ginds, heeft bovendien te maken met het Indische timbre dat van het gearticuleerde Maleis stamt, en van het in het Maleis denken uit het verleden, dat in de genen van veel Indo’s zit. Verder is dat deftige Nederlands ook het gevolg van niet gewend zijn aan het Nederlands, tenminste aan het gebrek aan klankborden om zich heen om ongedwongen met Nederlands te leren omgaan. Alleen op school sprak je zuiver Nederlands en thuis indien daar op werd gelet. Bij Hollandse kinderen werd je niet uitgenodigd en je ging ook verder niet met ze om. Was dat wel zo dan werd die vriendschap gauw door de ouders ontmoedigd. Toen ik in Holland kwam, in Amsterdam, werd ik om mijn uit Indië stammende praten geplaagd. Ik durfde lange tijd op straat en in het openbaar vervoer m´n mond niet eens meer open te doen. Kѐ je naogaon, zou een Amsterdammer daarop zeggen..
Wij Indischen, dus Indo´s, uit het voormalige Nederlands-Indië, waren/zijn heel precies omdat daar erg op werd gelet. Je was te kwetsbaar, gemengdbloedig immers: met je getinte huid werd al gauw ´je lijkt wel een inlander!´ tegen je gezegd. In een land met een ´ver doorgevoerd apartheidssysteem´ werd de Indo, die geen Indonesiër is, niet graag inlander/Indonesiër genoemd.
Verschillen…
Bij Wim Willems, in zijn TJALIE ROBINSON BIOGRAFIE VAN EEN INDO-SCHRIJVER, komt tijdens de Japanse bezetting Rob Nieuwenhuys, de latere Nestor van de Indische Letteren, in Tjimahi in een Jappenkamp terecht. Daar zit dan ook Tjalie Robinson vast. Nieuwenhuys, een blanke Indo, komt in het kampdeel te zitten met de volbloed Hollanders en andere blanken. De bruine Indo Tjalie Robinson aan de overkant, in het Indo-deel van het kamp, dat Indische kampong werd genoemd. Willems schrijft eerst minder stellig ‘dat het kan zijn dat mensen als Nieuwenhuys zich doorgaans niet bemoeien met de ingezetenen van de Indische kampong.’, maar is enkele regels verder stelliger ‘De man die zich later in Nederland nadrukkelijk zou laten voorstaan op zijn Indo-Europese afkomst, bleef tijdens zijn kamptijd op afstand van het milieu van de eenvoudige Indo.’ Nieuwenhuys’ Indo zijn moet het in Willems’ boek vaker ontgelden. Én het zich afzijdig houden van de ‘eenvoudige Indo’ én het zich later laten voorstaan op zijn Indo-Europees zijn, stammen beide uit de positie die de Indo (dus ook Rob Nieuwenhuys) had in het koloniale Indië. Al vanaf heel jong was het minderwaardig zijn er bij de Indo ingehamerd. Bij Geert Maks volbloed blanke zuster Anna gebeurde het tegenovergestelde: blank was superieur. Indien Nieuwenhuys zich niet met de lui in de ‘Indische kampong’ ophield, dan is dat heel begrijpelijk en geen onbekend fenomeen. In mijn essay 200.000 Indo’s buiten de Japanse kampen schrijf ik dat er Indo’s waren die de door de Japanners verplichte pendaftarans (soort persoonsbewijs) vervalsten om juist wel te worden geïnterneerd. Waarvoor er tenminste twee redenen waren. “Ten eerste dachten zij dat het in de kampen beter zou zijn dan er buiten. De tweede en misschien wel de belangrijkste reden was dat ze met de pendaftaran het ‘bewijs’ in handen hadden tot de volbloed blanke Europeanen te behoren zodat het onderscheid niet meer kon worden gemaakt”. (als de oorlog afgelopen zou zijn). Die nadere duiding ontbreekt bij Willems waardoor Nieuwenhuys’ gedrag kwalijk lijkt. Gezien Willems’ kennis omtrent Indië, had je meer uitleg zeker mogen verwachten. Later in Holland, speelde het blank of bruin zijn nauwelijks of geen rol, en was je als Indo, tenslotte, minder kwetsbaar dan in Indië. Als je betrokken raakte bij Indische zaken, bij pasar malam’s, bij Tjalie Robinsons Indisch blad Tong Tong, bij interviews op radio en zo, begon het leuk te worden om het over Indische/Indo zaken te hebben. Al gauw, al was het alleen maar vanwege je accent en het ‘deftige praten’, schemerde steeds verder je Indo zijn door en begon het een plaats te krijgen in je doen en laten in Holland. ´Zelfhaat´ behoorde langzamerhand tot het verleden en je eigenheid bloeide op. Ook Nieuwenhuys eiste aandacht voor zijn Indo zijn op. Dat hij dat met enige nadruk deed was gemakkelijk verklaarbaar. Omdat hij blank was zag men hem niet als de Indo die hij toch echt was. En dat Tjalie Robinson hem ´roze´ noemde en hem daarom niet bij bepaalde Indische zaken betrok, maakte het er voor hem niet eenvoudiger op. Een donkere Indo zei tegen z´n zuster die blank was: ´Jij had het gemakkelijk, maar ik heb met mijn bruine huid hier (in Holland) mijn nek moeten uitsteken.´
Wim Willems noemt in zijn TJALIE ROBINSON BIOGRAFIE VAN EEN INDO-SCHRIJVER op de ene plaats Rob Nieuwenhuys een Indo, wat terecht is, maar op weer andere plaatsen een totok. Op pagina 391 onderaan, schrijft Willems dat volgens de schrijfster Rini Carpentier-Alting Tjalie Robinson zich ontwikkelde tot een man die enorm kon fulmineren tegen alles wat met Nederland te maken had. ´Het weerwoord van totoks als Nieuwenhuys of zijzelf deed hij af met de opmerking dat zij roze waren; of hij hun huidskleur of hun politieke voorkeur bedoelde, durfde zij niet te vragen´. (Zie ook pagina Recensie boek Willems over Tjalie Robinson van deze site).
‘oriëntalisme’…
‘Ik heb nooit geweten dat we toen discrimineerden’, zei een totok moeder tegen haar totok zoon (journalist met Indië als specialisme, die zelf ook in Indië geboren en getogen is). De zoon begreep haar alleszins. Ik geloofde zijn moeder niét. Dat ze van discriminatie nooit iets had geweten, noem ik ‘de luxe van de superieure mens in een koloniale samenleving’.
Zou ook Geert Maks moeder geen idee hebben gehad dat ze discrimineerde en haar kinderen daarin opvoedde? Ook bij zoon Geert constateer ik begrip voor zijn moeder. Haar geschreven uitlatingen over ‘Indiërs’ en Indo’s liegen er niet om. Geert Mak vindt dat soort zaken duidelijk nga enak* en lijkt ermee in z’n maag te zitten. ‘Ik heb geen enkele aanwijzing gevonden dat mijn ouders tijdens hun Indische jaren helder omlijnde racistische denkbeelden koesterden, hoewel mijn moeder wel trekjes in die richting toonde.´ ‘Maar er was iets anders aan de hand, iets wat gecompliceerder was dan enkel rassendiscriminatie en blanke superioriteitsgevoelens´. Om vervolgens uitgebreid over het ´oriëntalisme´ van Edward Said (Palestijns-Amerikaansliteratuurwetenschapper)uit te wijden. Oriëntalisme dat niets anders is ´dan een Europese fictie. Het is een eenzijdige manier van kijken en denken´. Vervolgens gaat hij enkele pagina´s lang in op de ideeën van Said. Het is interessant geprobeerd door Geert Mak, maar zijn kijk, via Edward Said, op de kolonie leidt voor mij niet naar een excuus voor wat er in Indië allemaal aan ellendigheid heeft plaatsgevonden.
Wat moet ik zeggen over Geert Maks DE EEUW VAN MIJN VADER? Is het een goed boek, is het een slecht boek? Ik weet het niet. Het boek, gaat ook over Holland en Europa, over de Duitse bezetting, de Joodse vervolging, over de verwikkelingen gedurende de periode van de vrijheidsstrijd van de Indonesiërs. Grote delen zijn boeiend en lezen ‘lekker weg’, maar ik heb twijfels over het waarheidsgehalte van zoveel in DE EEUW VAN MIJN VADER.
Dane Beerling, mei 2009
Ajo = aansporing, Bangsa=volk, Djongos/jongos = Indonesische huisbediende, Iye en ook iya = ja, Laku = gewild, in trek, Nga enak = ongemakkelijk lett.: niet lekker, Totok = Hollander, ook raszuiver, Totok baru = naam voor Hollanders die rechtstreeks uit Holland kwamen lett.: nieuwe (baru) Hollanders. ---------
OverUlbe Bosma’s boek Terug uit de koloniën, schrijft de recensente Elsbeth Locher-Scholte (in BOEKEN NRC HANDELSBLAD 15/5/09) het volgende: “Na de dekolonisatie kwamen de postkoloniale migranten in twee golven naar het vaak onbekende moederland. De eerste in de jaren veertig, vijftig en zestig was afkomstig uit Nederlands-Indië/Indonesië, de tweede vanaf de jaren zeventig uit Suriname en de Nederlandse Antillen. De eerste groep bofte (met uitzondering van de Molukse militairen en hun gezinnen). Het grootste deel was blank (onderstreping D.B.), hun Nederlands was in het algemeen perfect, de arbeidsmarkt bood werk in overvloed. (…)”
Dat het grootste deel blank was is ‘een onwaarheid als een koe’. Het grootste deel, waaronder vele duizenden Indo’s, was licht- tot donkerbruin getint.
Toch schrijft mevrouw Locher-Scholte over zichzelf: “Sinds 1988 ben ik werkzaam aan het Instituut geschiedenis van de UU, sinds 1998 als senior docent/onderzoeker. Mijn specialisatie is de geschiedenis van het kolonialisme, speciaal de geschiedenis van koloniaal Indonesië in de negentiende en twintigste eeuw.”
Veel indruk maakt dat alles niet.
Dane Beerling, juni 2009
----------
recensie
“TJALIE ROBINSON, BIOGRAFIE VAN EEN INDO-SCHRIJVER”door Wim Willems. ‘Alleen zijn heiligverklaring ontbreekt nog’, fluisterde een bevriende NRC-Handelsblad journalist me toe tijdens het enkele jaren geleden op de Pasar Malam Besar gehouden symposium over Tjalie Robinson. Is met Wim Willems’ “TJALIE ROBINSON, BIOGRAFIE VAN EEN INDO-SCHRIJVER” die heiligverklaring er nu wel? Je zou het misschien denken. Willems is wel een ‘fan’ van Tjalie Robinson. De biografie is een vuistdik boek geworden (600 pagina’s inclusief een groot aantal foto’s), je krijgt een goed beeld van Jan Boon, alias Tjalie Robinson, alias Vincent Mahieu. Veel hoogtepunten zijn in het boek te vinden. Bijvoorbeeld over de tijd die Tjalie doorbrengt in Jappenkampen. Wim Willems leeft zich in die situatie goed in. Ontroerende passages zijn het, betul!
Ik heb Wim Willems boek 'in een keer uitgelezen'.
Correct Nederlands
Volgens Willems heeft Tjalie Robinson de Indische gemeenschap (in Holland) een stem gegeven. Letterlijk. Want Tjalie koesterde het Petjok (Willems: petjoh) en schreef daar ook in. Maar Tjalie stelde er (in Indië) prijs op dat goed Nederlands werd geschreven. De jongelui die hem epistels toestuurden voor zijn rubriek De Renbode (in Bataviaasch Nieuwsblad), moesten dat in correct Nederlands doen. Wim Willems: ‘Een lezer die een gemis aan onderwijs opvoerde, kreeg te horen dat te weinig kennis nooit een excuus mocht zijn voor tekortkomingen in stijl of aanpak.’ Voor Petjok lijkt me dat de dood in de pot. Althans zullen veel ‘kleine bungs’ met schrijven opgehouden zijn of zijn ze er maar niet eens aan begonnen. ‘Met De Renbode werd niet alleen gemikt op leerlingen van Europese scholen, maar op de gealfabetiseerde jeugd in het algemeen.’, aldus Wim Willems.
Wim Willems noemt Petjok een straattaal en kennelijk putte hij dat uit hetgeen Tjalie daarover en daarin schreef.
Laat ik u wat citaten voorleggen uit het ‘Nawoord’ van Rob Nieuwenhuys in het door hem bezorgde "VINCENT MAHIEU VERZAMELD WERK" (uitgeverij Querido Amsterdam).: ‘De Indo-Europeaan en in het bijzonder de ‘kleine Indo’ is naar twee kanten onderscheiden: van de Europeaan én van de Indonesiër, al staat hij meestal door zijn vroegere leefwijze dichter bij de hem omringende bevolking dan de Europeaan ooit vermoed heeft. Hij is Europeaan voor de wet, maar hij onderscheidt zich in uiterlijk en innerlijk van de totok, de ´echte´ Hollander. In de eerste plaats door zijn huidskleur met alle overgangen tussen blank en bruin, door zijn Indisch accent, door te spreken op een andere, zangeriger toonhoogte en met een andere stembuiging, door een afwijkend taalgebruik (…), met de veelvuldige, zo karakteristieke klanknabootsingen. Deze taal van de Indo, in het bijzonder van de ´kleine Indo´, heeft niets met gebroken Nederlands te maken: ze is of was een zelfstandige mengtaal van een min of meer gesloten gemeenschap. Tjalie kende de taal van de ´kleine Indo´, (…), heel goed, maar hij zelf schreef een zeer zuiver Nederlands (…).´
In de woordenlijst van "VINCENT MAHIEU VERZAMELD WERK" vinden we: ´petjo en petjoek - eigenlijk een zwarte moerasvogel (te vergelijken met de aalscholver), die aangewezen is op wat in de moerassen aan visjes en andere kleine diertjes te vinden is. Met dit woord petjoek werden zowel de ´kleine Indo´ aangeduid als het Nederlands dat hij sprak – voor zover hij zich niet van de landstaal bediende.´
Betawi (Batavia) bakermat van Petjok
In mijn boek over Petjok "LEEW IS TIJHER, ALLEEN SIJN CELANA MONYET MET SONDER STREPEN. PETJOK", betoog ik dat de watervogel petjoek als naamgever van het Petjok onjuist is, maar ik laat dat hier even in het midden. Wim Willems schrijft dat Tjalie Robinson zich een ´anak Betawie´ noemde en zich zo ook voelde. Welaan een ´anak Betawie´, ik heb heel veel Indo ´anak Betawie´ gekend, had het nooit over ´petjoh´, maar wel over Petjok (met een onhoorbare k), en Betawie (Batavia) is wél de bakermat van Rob Nieuwenhuys´ ´taal van de Indo´. Dat de historicus Wim Willems die taal ´petjoh´ noemt komt niet alleen eigenwijs over, het is vooral ook verwarrend. Hij noemt die taal ook ´straattaal´ zoals gezegd, die door kinderen gesproken werd. In zijn Petjok stukjes schrijft Tjalie inderdaad in de taal die hij met zijn vriendjes sprak voornamelijk over ervaringen uit zijn jeugd. Ik put even uit míjn eigen herinneringen. Voor zover wij, Indo kinderen (tussen 1941-1945) in Tanah Tinggi en Kemajoran (beide Bataviase Indowijken) Petjok spraken was dat fragmentarisch: we aapten het na van de volwassenen om ons heen, daaronder waren heel veel ´kleine bungs´. Maar naar ‘buiten’ toe spraken we vooral Maleis (Nederlands was door de Japanse bezetter verboden). Vóór 1941, vóór de Japanse bezetting, toen mijn vader nog niet krijgsgevangen zat, aapten Indische kinderen elkáár na op straat tussen de tijd op school en thuis. Echt taal was dat natuurlijk niet. Het Hollands dat we toen moesten spreken, thuis en op school, vormde daartegen een dam. Pas later, eenmaal ouder geworden en je ´onbespied´ wetend, sprak je dat onder Indischen vaker en vergrootte je zo je Petjok woordenschat en wat daarmee allemaal samenhing. Een vriendin van mij vertelde: ´Van mijn moeder, ze was onderwijzeres, moesten we in Indië altijd “goed Hollands spreken”, maar zij sprak (in Holland) zelf heel vaak Indisch. Als ik daar commentaar op had, zei ze: “Maar ik bén toch een Indische!”’ Petjok is verre van een straat- of kindertaal, maar ´een zelfstandige mengtaal van een min of meer gesloten gemeenschap.´ aldus Rob Nieuwenhuys. Itu dia.
'Stille krachten'
Waar Nieuwenhuys de moerasvogel te berde brengt, moet ik hem in de steek laten, zeker waar hij zegt dat die vogel ‘aangewezen is op wat in de moerassen aan visjes en andere kleine diertjes te vinden is’. Zo gesteld lijkt het er op of de ‘kleine Indo’s’ in een positie verkeerden waarin ze afhankelijk waren van de resten die van de koloniale samenleving overbleven. Maar zo zat dat niet helemaal in elkaar. Tijdens de 30er jaren crisis was dat wel het geval - het waren voornamelijk Indo’s die daar van te lijden hadden, maar ook heel wat totoks raakten aan de bedelstaf. Echter in zijn algemeenheid mag je toch stellen dat al spoedig nadat de Nederlanders de scepter zwaaiden over ‘De Gordel van Smaragd’, de kinderen uit relaties tussen hen en de inheemsen, later Indo’s genoemd, ingeschakeld werden in het koloniale systeem. Op allerlei plekken, ook hoge. In het leger waren generaals. Maar ze werkten vooral ook als ‘kantoorpersoneel’ om in moderne termen te spreken, later veelal als ambtenaar. In het verkeer tussen deze eerste Indo’s en hun Hollandse collega’s en superieuren, sprak en schreef men Indisch-Nederlands, later Petjok genoemd, totdat die ingeruild moest worden voor het zuivere Nederlands. De Indo werkte ‘vlijtig en secuur’ en was content met wat hij te doen had. Hij zag dat werk allerminst als hem toegeworpen afgekloven botten. De Indo was een ‘stille kracht’, maar zeker geen krachteloze. Pas in Raffles’ tijd (begin 19e eeuw) begon de kentering en ontstond verschil tussen de ‘beschaafde’ Indo’s, zij die zich naar de Europese mores richtten, en de groep die de eigenheid behield en lange tijd zichzelf wist te redden. Indo’s werden gediscrimineerd, zeker, ook zij die hoge posities bekleedden. Ze werden niet als gelijken van de totoks bejegend. Maar álle Indo’s, inclusief dus de ‘kleine bungs’ onder hen, vormden tot aan het einde van Nederlands-Indië, wel de ruggengraat van die kolonie.
Terzijde: Wim Willems noemt in zijn boek Rob Nieuwenhuys eerst, ten onrechte, totok (= 1. Hollander, 2. raszuiver) en een aantal pagina's verder, terecht, een Indo-Europeaan (= Iem. van gemengd Indonesisch en Europees bloed). Voor een wetenschapper met Nederlands-Indië als zijn vakgebied is zoiets bodoh, iya (bodoh = dom). Maar op z'n minst is dat een onvergeeflijke fout.
Meer dan bami- en nasiballen
In 1954 vertrekt Tjalie Robinson met het m.s. Johan van Oldenbarnevelt voorgoed naar Holland. In de derde klas zaten de Indische gezinnen, uit de hoogste en laagste milieus. Tjalie voelt zich onder hen senang tuurlijk. Hij vraagt het ze, maar zicht op hun toekomst in Holland, en ideeën over wat hen te doen stond, hadden de Indischen niet. Voor velen van hen was Holland compleet nieuw. De totoks, die waren er ook, hadden nadrukkelijke banden en zij hadden een beter beeld van hun toekomst. Maar het zou ze toch niet meevallen: hun bevoorrechte posities in Indië, domweg omdat ze blank waren, raakten ze in Holland kwijt. Zij zijn het die het meest hun status zouden verliezen. Tjalie: ‘Bij deze mensen gaat het huis in Holland open, maar de horizon gaat dicht.’ Wim Willems: ‘De aanwezigheid van blanken aan boord leidde tot wel meer gepieker. Als zoveel Indische mensen moest de auteur eraan wennen dat zij gewoon in de bediening werkten – als kelners en stewards stelden ze zelfs een eer in dienstbaarheid. Ze gedroegen zich ijverig en efficiënt.’ De vergelijking met de blanda´s in Indonesië dringt zich aan Tjalie op, het is ‘of je bediend wordt door onderdirecteuren van Philips, schoolmeesters, dominees, attachés van het Hoge Commissariaat en winkelchefs.’
Bij het lezen van Wim Willems´ TJALIE ROBINSON biografie van een Indo-schrijver, kwam de vraag bij me op of Indischen veel van Tjalie Robinson hebben opgestoken, van zijn ideeën en plannen. Worden die ontwikkeld doordat de jongeren het estafettestokje hebben overgenomen? Tjalie vond dat Indischen veel meer hadden meegenomen dan ´alleen maar bami- en nasiballen´. Wat gebeurt er op de vele Indische kumpulans? Ik hoop niet alleen maar de oude kroncongliedjes en line-dance… Dane Beerling, Amsterdam 2009
TJALIE ROBINSON biografie van een Indo-schrijver door Wim Willems
Prijs € 25,00
Uitgeverij Bert Bakker Amsterdam.
Reactie Wim Willems:
Beste Dane,
Iemand stuurde me jouw elektronische recensie van het boek over Tjalie toe. Een stuk dat aanleiding geeft tot twee vragen: 1) waar heb ik in het boek Rob Nieuwenhuys een totok genoemd (ondenkbaar en ook niet waar); 2) Tjalie noemde de Indische mengtaal van de straat, in Betawie, petjoh. Dus wie ben ik dan om eigenwijs over petjok te spreken.
Wilde ik toch even gemeld hebben. Met hartelijke groet,
Wim Willems
Reactie Dane Beerling:
Beste Wim,
In jouw boek - ik heb dat 'in een ruk uitgelezen' - wordt niet vermeld waar te vinden is dat Tjalie Petjok Petjoh noemt. Waar precies je in je boek Rob N. totok noemt zal ik moeten opzoeken en dat duurt even want ik ben vanaf nu enkele dagen weg.
Over het geheel genomen heb ik zeer veel respect voor jouw kennis van onze koloniale geschiedenis en wat daar uit is voortgevloeid. Betul loh! Mijn kritiek geldt details.
Met vriendelijke groet,
Dane Beerling. Enkele dagen later:
Beste Wim,
Hoe moet ik het volgende citaat uit jouw biografie begrijpen? Citaat (citaten) uit de biografie van Wim Willems, 2e druk (paperback) november 2008.
Pagina 391, zes laatste regels, letterlijk: ‘In de loop van de jaren zestig ontwikkelde hij (Tjalie Robinson, D.B.) zich volgens haar (Rini Carpentier-Alting, D.B.) tot een man die enorm kon fulmineren tegen alles wat met Nederland te maken had. Het weerwoord vantotoks als Nieuwenhuys of zijzelf deed hij af met de opmerking dat zij roze waren; of hij hun huidskleur of hun politieke voorkeur bedoelde, durfde zij niet te vragen.’
Pagina 435, midden in 2e alinea, letterlijk: ‘In de ogen van de Indo-Europeaan Rob Nieuwenhuys was Tjalie een Indische jongen die zich ontwikkeld had als journalist en schrijver.’
Reactie Wim Willems:
Beste Dane,
het is een heel klein spijkertje (verschrijving) op heel laag water,
in een manuscript waarin Nieuwenhuys verder overal een Indo-Europeaan of
Indische jongen wordt genoemd. Om dat nu een onvergeeflijke fout te noemen,
my god, give me a break.
Goed te lezen dat je de biografie vrijwel in één ruk hebt uitgelezen. Een opmerking
die in de recensie niet zou hebben misstaan.
Good luck,
Wim
N.B. D.B.: ‘in één ruk heb uitgelezen’ heb ik inmiddels in de recensie opgenomen.